C2 · Verbs
Zijn or hebben with a participle
The choice between zijn and hebben with a participle in a formal text.
- De oude brug is in 2018 grondig ___. (renoveren)
- De klachten zijn vorige week ___. (ontvangen)
- De beoordeling is nog niet ___. (afronden)
- De bewoners zijn vorige week vooraf ___. (informeren)
- Het contract is door beide partijen ___. (ondertekenen)
- De normen zijn onlangs ___. (aanpassen)
- De bewoners zijn in de wijk blijven ___. (wonen)
- Hij heeft al tien jaar in het dorp ___. (wonen)
- De bewoners zijn allemaal naar de vergadering ___. (komen)
- De prijzen zijn in het afgelopen jaar flink ___. (stijgen)
- De reis is uiteindelijk niet ___. (lukken)
- Het akkoord is in het voorjaar ___. (bereiken)