Learn Dutch
C2 · Verbs

Zijn or hebben with a participle

The choice between zijn and hebben with a participle in a formal text.

  1. De oude brug is in 2018 grondig ___. (renoveren)
  2. De klachten zijn vorige week ___. (ontvangen)
  3. De beoordeling is nog niet ___. (afronden)
  4. De bewoners zijn vorige week vooraf ___. (informeren)
  5. Het contract is door beide partijen ___. (ondertekenen)
  6. De normen zijn onlangs ___. (aanpassen)
  7. De bewoners zijn in de wijk blijven ___. (wonen)
  8. Hij heeft al tien jaar in het dorp ___. (wonen)
  9. De bewoners zijn allemaal naar de vergadering ___. (komen)
  10. De prijzen zijn in het afgelopen jaar flink ___. (stijgen)
  11. De reis is uiteindelijk niet ___. (lukken)
  12. Het akkoord is in het voorjaar ___. (bereiken)