Learn Dutch
C2 · Verbs

Archaic kon, kunde and vermocht

Old modal forms in deeds, chronicles and historical narrative.

  1. Toen de voorzitter de oude brief voorlas, ___ niemand begrijpen, waarom de zaak was blijven liggen. (kunnen)
  2. Hij had de sleutel verloren en ___ dus niet naar binnen. (kunnen)
  3. De oude akte vermeldt, dat de schuldenaar de som niet hadde ___. (kunnen)
  4. Volgens de oude statuten ___ de voorzitter niet eigenmachtig beslissen. (mogen)
  5. In die dagen ___ de voorzitter geen afwijking toestaan. (mogen)
  6. Een waardig slot was, dat de Koningin de vijanden der zaak hadde ___. (willen)
  7. Zou de generaal het aangebod hebben aangenomen, dan hadde de oorlog een ander verloop ___. (hebben)
  8. De bezetting hadde de brug tijdelijk ___. (verwoesten)
  9. Men had de hoop opgegeven, dat de hulp nog tijdig zou ___. (komen)
  10. De oude superintendent, die de school jarenlang hadde ___, overleed in 1889. (leiden)
  11. De boeken moesten worden nagezien, en de onkosten daarvan moesten door de beheerders worden ___. (dragen)
  12. Het was de wil des konings, dat de oude instelling in stand ___. (blijven)