Learn Dutch
C2 · Verbs

Verbs with a -de or -te past

The weak past of verbs in -en with a stem in -d, -t or -tt.

  1. De woonlastcommissie ___ de nieuwe tarieven in de loop van het jaar. (regelen)
  2. De bewoners ___ hun zorgen bij de woonlastcommissie. (uiten)
  3. De secretaris ___ de stukken in het archief. (leggen)
  4. De bewindelijders ___ de productie wegens de storing stil. (leggen)
  5. De jongen ___ de oude boekenkast uit de weg. (duwen)
  6. De oude boer ___ het land in het voorjaar. (ploegen)
  7. In 2019 ___ de leden een nieuw bestuur. (kiezen)
  8. De bewoners ___ lang over de verandering van het tracé. (twijfelen)
  9. De dominee ___ de gemeente in 1890 een groot deel van de grond. (schenken)
  10. De redactie ___ het artikel in tweeën. (knippen)
  11. De bezoekers ___ langs de oude schuilstalletjes en keken naar binnen. (wandelen)
  12. De jury ___ de prijs toe aan de jonge schrijfster. (toekennen)