Learn Dutch
C2 · Verbs

A stem in -d takes a -t

The -t of the present and the past after a stem in -d.

  1. De raad ___ morgen weer bijeen. (komen)
  2. De oude brug ___ elk jaar tijdens de restauratie gesloten. (worden)
  3. De curator ___ de sleutels van het museum in een brandkast. (bergen)
  4. Mevrouw Van Dijk ___ het huis haar hele leven. (houden)
  5. Het oude model ___ de beste prijs-kwaliteitverhouding. (vinden)
  6. De oude klok ___ al ruim drie eeuwen in de toren. (hangen)
  7. De tarieven van 1880 ___ tot 1900. (gelden)
  8. De abdij ___ iedere maand een brief naar Rome. (zenden)
  9. De bibliotheek ___ zeldzaam bezoekers uit het buitenland. (ontvangen)
  10. In de oude brief ___ men de namen van de belastingplichtigen. (vinden)
  11. In 1900 ___ de belastingen nog in de oude administratie beheerd. (worden)
  12. De oude stukken ___ in het oude archief gevonden. (worden)