Learn Dutch
C2 · Verbs

The historical present in reportage

The present tense used for past events in a narrative text.

  1. In het oude register staat, dat de schout de brug in 1670 ___. (afbreken)
  2. De kroniek meldt, dat de belegging drie maanden ___. (duren)
  3. De oude briefschrijver schrijft, dat hij de brief dezelfde dag nog ___. (verzenden)
  4. De oude akte vermeldt, dat de koper het pand in 1680 ___. (betalen)
  5. De oude omslag meldt, dat de bewoners van het dorp in 1750 de oude brug ___. (herstellen)
  6. In de oude annalen staat, dat de oorlog het dorp jarenlang ___. (verwoesten)
  7. De oude brief vermeldt, dat de gravin de vergadering ___. (bijroepen)
  8. De oude geschiedenis schrijft, dat de eerste bewoners zich bij de rivier ___. (vestigen)
  9. De oude akte vermeldt, dat de getuigen de overdracht ___. (bevestigen)
  10. De oude brief meldt, dat de raad de klacht in 1890 ___. (indienen)
  11. De oude kroniek vertelt, dat de graaf de oude brug in 1500 laten ___. (bouwen)
  12. De oude kroniek vertelt, dat de abt in 1400 een nieuwe abdij ___. (stichten)