C2 · Verbs
The future perfect
Zullen + hebben + participle for a moment in the future.
- Tegen die tijd zal de oude brug ___. (afbreken)
- Tegen het najaar zal de woonlastcommissie haar rapport hebben ___. (afronden)
- De oude huizen zullen dan al ___. (verkopen)
- In 2030 zullen de meeste bewoners daar al lang ___. (wonen)
- De belastingplichtige zal de eerste termijn hebben ___. (betalen)
- Tegen 2027 zal het monument ___. (renoveren)
- Zij zullen hun oude school hebben ___. (verlaten)
- De stichting zal de oude stukken hebben ___. (onderbrengen)
- Tegen die tijd zullen de klachten zijn ___. (behandelen)
- Het kabinet zal de eerste cijfers hebben ___. (controleren)
- De overheid zal dan de regeling hebben ___. (herzien)
- Tegen het einde van het jaar zal de commissie haar advies hebben ___. (uitbrengen)