Learn Dutch
C2 · Verbs

The future perfect

Zullen + hebben + participle for a moment in the future.

  1. Tegen die tijd zal de oude brug ___. (afbreken)
  2. Tegen het najaar zal de woonlastcommissie haar rapport hebben ___. (afronden)
  3. De oude huizen zullen dan al ___. (verkopen)
  4. In 2030 zullen de meeste bewoners daar al lang ___. (wonen)
  5. De belastingplichtige zal de eerste termijn hebben ___. (betalen)
  6. Tegen 2027 zal het monument ___. (renoveren)
  7. Zij zullen hun oude school hebben ___. (verlaten)
  8. De stichting zal de oude stukken hebben ___. (onderbrengen)
  9. Tegen die tijd zullen de klachten zijn ___. (behandelen)
  10. Het kabinet zal de eerste cijfers hebben ___. (controleren)
  11. De overheid zal dan de regeling hebben ___. (herzien)
  12. Tegen het einde van het jaar zal de commissie haar advies hebben ___. (uitbrengen)