Learn Dutch
C2 · Verbs

Weigeren and vermijden + infinitive

Refusing and avoiding, with an infinitive instead of a clause.

  1. De getuige ___ een verklaring af te leggen. (weigeren)
  2. Het beleid moet een dergelijke gang van zaken ___. (vermijden)
  3. Men moet de oude bepalingen niet uit het oog ___. (vergeten)
  4. De voorzitter ___ de discussie te verlengen. (weigeren)
  5. Het is de bedoeling een herhaling van de fout te ___. (vermijden)
  6. De belastingplichtige ___ de bijlage te ondertekenen. (weigeren)
  7. De bewoners weigerden de nieuwe tarieven te ___. (betalen)
  8. De woonlastcommissie moet de oude dossiers niet zomaar ___. (vernietigen)
  9. De getuige werd gedwongen een verklaring te ___. (afleggen)
  10. Het college moet de bewoners niet onnodig ___. (verontrusten)
  11. De commissie mag de bewoners niet in onzekheid ___. (laten)
  12. De getuige weigerde de vragen van de raadscommissie te ___. (beantwoorden)