C2 · Verbs
Zich + adjective: aware and certain
Zich bewust zijn, zich vergissen and zich realiseren.
- De getuige is zich van de feiten ___. (bewust)
- De raadscommissie is zich van de eigen verantwoordelijkheid ___. (bewust)
- De oude briefschrijver was zich van de gevolgen ___. (bewust)
- De belastingplichtige is zich van de oude aanslag ___. (bewust)
- Het college heeft zich van de fouten ___. (bewust)
- De woonlastcommissie heeft zich in de oude cijfers ___. (vergissen)
- De raad heeft zich in de belastingvrijstelling ___. (vergissen)
- De getuige heeft zich in de oude naam ___. (vergissen)
- De raad heeft zich ___ dat de oude tarieven te hoog waren. (realiseren)
- De woonlastcommissie heeft zich ___ dat de oude dossiers ontbraken. (realiseren)
- De commissie is zich van de oude verplichtingen ___. (bewust)
- De minister is zich van de eigen bevoegdheden ___. (bewust)