Learn Dutch
C2 · Verbs

Zich + adjective: aware and certain

Zich bewust zijn, zich vergissen and zich realiseren.

  1. De getuige is zich van de feiten ___. (bewust)
  2. De raadscommissie is zich van de eigen verantwoordelijkheid ___. (bewust)
  3. De oude briefschrijver was zich van de gevolgen ___. (bewust)
  4. De belastingplichtige is zich van de oude aanslag ___. (bewust)
  5. Het college heeft zich van de fouten ___. (bewust)
  6. De woonlastcommissie heeft zich in de oude cijfers ___. (vergissen)
  7. De raad heeft zich in de belastingvrijstelling ___. (vergissen)
  8. De getuige heeft zich in de oude naam ___. (vergissen)
  9. De raad heeft zich ___ dat de oude tarieven te hoog waren. (realiseren)
  10. De woonlastcommissie heeft zich ___ dat de oude dossiers ontbraken. (realiseren)
  11. De commissie is zich van de oude verplichtingen ___. (bewust)
  12. De minister is zich van de eigen bevoegdheden ___. (bewust)