C2 · Verbs
Archaic and subjunctive verb forms
Old second-person forms, the subjunctive and older spellings of the past.
- Mevrouw, ___ gij mij dit kwalijk nemen? (zijn)
- God ___ uw onderneming en uw arbeid. (zegnen)
- Zij ___, dat zij de oude brief al had gelezen. (bekennen)
- Hij gedroeg zich alsof hij de enige ___ die het recht had te spreken. (zijn)
- Of hij de schuldige ___ of niet, hij bleef bij zijn vader. (zijn)
- Hoe graag hij ook ___, hij zweeg in de zaal. (willen)
- Mevrouw De Wit ___, dat zij de som nog dezelfde dag had overgemaakt. (verklaren)
- In de oude brief schreef hij, dat hij de reis niet ___ . (wagen)
- De waard ___, dat de gasten reeds vertrokken waren. (melden)
- Had ik het geweten ___, dan had ik mij niet bemoeid. (hebben)
- Zij ___ zozeer op haar moeder, dat iedereen het meteen zag. (gelijken)
- Hij ___ het wel te menen, maar zij verstonden hem niet. (menen)