Learn Dutch
C2 · Verbs

Archaic and subjunctive verb forms

Old second-person forms, the subjunctive and older spellings of the past.

  1. Mevrouw, ___ gij mij dit kwalijk nemen? (zijn)
  2. God ___ uw onderneming en uw arbeid. (zegnen)
  3. Zij ___, dat zij de oude brief al had gelezen. (bekennen)
  4. Hij gedroeg zich alsof hij de enige ___ die het recht had te spreken. (zijn)
  5. Of hij de schuldige ___ of niet, hij bleef bij zijn vader. (zijn)
  6. Hoe graag hij ook ___, hij zweeg in de zaal. (willen)
  7. Mevrouw De Wit ___, dat zij de som nog dezelfde dag had overgemaakt. (verklaren)
  8. In de oude brief schreef hij, dat hij de reis niet ___ . (wagen)
  9. De waard ___, dat de gasten reeds vertrokken waren. (melden)
  10. Had ik het geweten ___, dan had ik mij niet bemoeid. (hebben)
  11. Zij ___ zozeer op haar moeder, dat iedereen het meteen zag. (gelijken)
  12. Hij ___ het wel te menen, maar zij verstonden hem niet. (menen)