Learn Dutch
C2 · Verbs

Literary participles and gerunds

Participles as nouns, in phrases, and adverbially in a formal style.

  1. Bij het ___ van de maan liepen zij over de bevroren sloot. (schijnen)
  2. Het ___ van de vulkaan kostte honderden levens. (uitbarsten)
  3. Na het ___ van de regering werd de coalitie opnieuw gevormd. (vallen)
  4. Het ___ en gaan van de bevolking in de zomer was ongewoon. (komen)
  5. De brief, ___ door de griffier op 3 mei, is in het dossier gevonden. (ondertekenen)
  6. De rede, ___ door de koningin in 1954, is beroemd geworden. (houden)
  7. De zaak, ___ nog in behandeling bij de rechter, komt volgende week voor. (zijn)
  8. Het slot, ___ in de oorlog verwoest, is inmiddels gerestaureerd. (verwoesten)
  9. ___ door het park botste hij op zijn oude vriend. (lopen)
  10. Zich ___ op zijn rechten, weigerde hij de boete te betalen. (beroepen)
  11. ___ door zijn dochter, nam hij afscheid van het publiek. (vergezellen)
  12. Zijn portret, ___ door de familie in 1990 aan het museum geschonken, hangt nu in de hal. (schonken)