C2 · Verbs
Literary participles and gerunds
Participles as nouns, in phrases, and adverbially in a formal style.
- Bij het ___ van de maan liepen zij over de bevroren sloot. (schijnen)
- Het ___ van de vulkaan kostte honderden levens. (uitbarsten)
- Na het ___ van de regering werd de coalitie opnieuw gevormd. (vallen)
- Het ___ en gaan van de bevolking in de zomer was ongewoon. (komen)
- De brief, ___ door de griffier op 3 mei, is in het dossier gevonden. (ondertekenen)
- De rede, ___ door de koningin in 1954, is beroemd geworden. (houden)
- De zaak, ___ nog in behandeling bij de rechter, komt volgende week voor. (zijn)
- Het slot, ___ in de oorlog verwoest, is inmiddels gerestaureerd. (verwoesten)
- ___ door het park botste hij op zijn oude vriend. (lopen)
- Zich ___ op zijn rechten, weigerde hij de boete te betalen. (beroepen)
- ___ door zijn dochter, nam hij afscheid van het publiek. (vergezellen)
- Zijn portret, ___ door de familie in 1990 aan het museum geschonken, hangt nu in de hal. (schonken)