C2 · Verbs
Literary strong verbs
Old and literary verbs in the past tense and the participle.
- Niemand ___ ooit precies wat er die nacht in huis gebeurde. (begrijpen)
- Zij ___ de brief in stilte, maar begreep er niets van. (verstaan)
- Het schip ___ in de storm en liep binnen enkele minuten vol water. (verzinken)
- De indiaan ___ de teugels en gaf het paard een spoor. (grijpen)
- De soldaten ___ door het donkere bos en kwamen bij zonsopgang aan de rand. (kruipen)
- Toen zij de kamer binnenkwam, ___ iedereen een ogenblik. (zwijgen)
- De schipper ___ een ieder aan boord te komen. (verbieden)
- De staat ___ de schadeclaim van de bedrijven, maar niet de kosten van de herstelwerkzaamheden. (ontwinnen)
- De melk is in de kelder bij de andere flessen ___. (gieten)
- De vogel ___ om de toren en verdween in de mist. (vliegen)
- Toen hij thuiskwam, ___ de jas nog in de gang. (hangen)
- De bliksem ___ de toren en de klok sloeg uit. (werpen)