Learn Dutch
C2 · Verbs

Literary strong verbs

Old and literary verbs in the past tense and the participle.

  1. Niemand ___ ooit precies wat er die nacht in huis gebeurde. (begrijpen)
  2. Zij ___ de brief in stilte, maar begreep er niets van. (verstaan)
  3. Het schip ___ in de storm en liep binnen enkele minuten vol water. (verzinken)
  4. De indiaan ___ de teugels en gaf het paard een spoor. (grijpen)
  5. De soldaten ___ door het donkere bos en kwamen bij zonsopgang aan de rand. (kruipen)
  6. Toen zij de kamer binnenkwam, ___ iedereen een ogenblik. (zwijgen)
  7. De schipper ___ een ieder aan boord te komen. (verbieden)
  8. De staat ___ de schadeclaim van de bedrijven, maar niet de kosten van de herstelwerkzaamheden. (ontwinnen)
  9. De melk is in de kelder bij de andere flessen ___. (gieten)
  10. De vogel ___ om de toren en verdween in de mist. (vliegen)
  11. Toen hij thuiskwam, ___ de jas nog in de gang. (hangen)
  12. De bliksem ___ de toren en de klok sloeg uit. (werpen)