Learn Dutch
C2 · Verbs

Hearsay & inference with perfect infinitives

Zou, moet, schijnt and blijkt with a perfect infinitive: participles and clusters.

  1. Volgens ingewijden zou de minister al in maart zijn ___. (aftreden)
  2. Hij moet het geld uit de kas hebben ___. (nemen)
  3. De verdachte zou het slachtoffer eerder al ___ hebben. (bedreigen)
  4. Ze schijnt in haar jeugd in Parijs te hebben ___. (wonen)
  5. Het schilderij blijkt in de oorlog te zijn ___. (roven)
  6. Hij zou het contract hebben ___ tekenen, maar hij weigerde. (moeten)
  7. De directeur moet ervan op de hoogte zijn ___. (stellen)
  8. Zonder jouw hulp zou ik het nooit hebben ___ volhouden. (kunnen)
  9. Het huis moet jarenlang leeg hebben ___. (staan)
  10. De brand zou door een defecte koelkast zijn ___. (veroorzaken)
  11. Hij ontkent ooit lid te zijn ___ van die vereniging. (zijn)
  12. De vermiste klimmers moeten in de storm zijn ___. (omkomen)