C2 · Verbs
Mixed verbs: weak past, strong participle
Verbs that form the past tense with -de/-te but keep a strong participle in -en.
- Mijn oma ___ vroeger elke zaterdag appeltaart. (bakken)
- Voor echte espresso worden de bonen vlak voor het zetten ___. (malen)
- De vader van de schrijver ___ Hendrik, maar iedereen noemde hem Henk. (heten)
- Het publiek heeft om elke grap hartelijk ___. (lachen)
- Haar ouders zijn ___ toen zij tien was. (scheiden)
- Dit wandtapijt is in de zeventiende eeuw met de hand ___. (weven)
- In deze abdij wordt al eeuwenlang bier ___. (brouwen)
- Ze ___ de brief dubbel en stopte hem in de envelop. (vouwen)
- Op het feest werd een heel varken aan het spit ___. (braden)
- In het donker ___ hij zijn knie tegen de tafelpoot. (stoten)
- Hollandse nieuwe wordt licht ___ verkocht. (zouten)
- Hij ___ zijn handen en ging aan tafel zitten. (wassen)