Learn Dutch
C2 · Verbs

Mixed verbs: weak past, strong participle

Verbs that form the past tense with -de/-te but keep a strong participle in -en.

  1. Mijn oma ___ vroeger elke zaterdag appeltaart. (bakken)
  2. Voor echte espresso worden de bonen vlak voor het zetten ___. (malen)
  3. De vader van de schrijver ___ Hendrik, maar iedereen noemde hem Henk. (heten)
  4. Het publiek heeft om elke grap hartelijk ___. (lachen)
  5. Haar ouders zijn ___ toen zij tien was. (scheiden)
  6. Dit wandtapijt is in de zeventiende eeuw met de hand ___. (weven)
  7. In deze abdij wordt al eeuwenlang bier ___. (brouwen)
  8. Ze ___ de brief dubbel en stopte hem in de envelop. (vouwen)
  9. Op het feest werd een heel varken aan het spit ___. (braden)
  10. In het donker ___ hij zijn knie tegen de tafelpoot. (stoten)
  11. Hollandse nieuwe wordt licht ___ verkocht. (zouten)
  12. Hij ___ zijn handen en ging aan tafel zitten. (wassen)