Learn Dutch
C2 · Verbs

Participle phrases & formal forms

Participles as prepositions, absolute phrases and nominalised participles.

  1. Het college besluit, ___ op het omgevingsplan, de vergunning te weigeren. (letten)
  2. Eenmaal thuis ___, merkte hij dat zijn sleutels ontbraken. (aankomen)
  3. Het ter vergadering ___ wordt in de notulen vastgelegd. (bespreken)
  4. Het besluit is, ___ de omstandigheden, begrijpelijk. (zien)
  5. Alles in aanmerking ___, was het een geslaagd jaar. (nemen)
  6. De ___ voorzitter kreeg een staande ovatie. (aftreden)
  7. Vrolijk ___ kwam hij de kamer binnen. (fluiten)
  8. Nog ___ of het plan haalbaar is, vraag ik me af of het wenselijk is. (daarlaten)
  9. In het ___ jaar is er veel veranderd. (verstrijken)
  10. Aldus ___ en ondertekend te Utrecht op 12 maart 2026. (opmaken)
  11. Ach, ___ zaken nemen geen keer. (doen)
  12. Hij sprak liefdevol over zijn in 2019 ___ vrouw. (overlijden)