C2 · Verbs
Participle phrases & formal forms
Participles as prepositions, absolute phrases and nominalised participles.
- Het college besluit, ___ op het omgevingsplan, de vergunning te weigeren. (letten)
- Eenmaal thuis ___, merkte hij dat zijn sleutels ontbraken. (aankomen)
- Het ter vergadering ___ wordt in de notulen vastgelegd. (bespreken)
- Het besluit is, ___ de omstandigheden, begrijpelijk. (zien)
- Alles in aanmerking ___, was het een geslaagd jaar. (nemen)
- De ___ voorzitter kreeg een staande ovatie. (aftreden)
- Vrolijk ___ kwam hij de kamer binnen. (fluiten)
- Nog ___ of het plan haalbaar is, vraag ik me af of het wenselijk is. (daarlaten)
- In het ___ jaar is er veel veranderd. (verstrijken)
- Aldus ___ en ondertekend te Utrecht op 12 maart 2026. (opmaken)
- Ach, ___ zaken nemen geen keer. (doen)
- Hij sprak liefdevol over zijn in 2019 ___ vrouw. (overlijden)