Learn Dutch
C2 · Verbs

Rare strong verbs

Literary strong past tenses and participles, and look-alike verbs.

  1. De oude zeeman ___ elke avond een pijp te roken. (plegen)
  2. In den beginne ___ God de hemel en de aarde. (scheppen)
  3. De arbeider ___ de hele dag zand in de kruiwagen. (scheppen)
  4. Na de lawine werden drie skiërs onder de sneeuw ___. (bedelven)
  5. Door de hitte was het vlees binnen een dag ___. (bederven)
  6. De storm ___ het kleine schip in een oogwenk. (verzwelgen)
  7. Jarenlang ___ hij zonder vaste woonplaats door Europa. (zwerven)
  8. De partij ___ in één jaar drieduizend nieuwe leden. (werven)
  9. De criticus ___ het debuut de hemel in. (prijzen)
  10. De moord op zijn broer werd bloedig ___. (wreken)
  11. Drie bureaus ___ mee naar de opdracht. (dingen)
  12. De koning ___ het glas op het welzijn van zijn gasten. (heffen)