A2 · Lesson 126 · Money & community
Learning Dutch
Talk about learning a language: lessons, mistakes, pronunciation and practice.
Grammar
Weten, kennen & kunnen
- weten = to know a fact or information: Ik weet het antwoord niet. Weet jij wat dit woord betekent?
- kennen = to know a person, place or word (be familiar with it): Ik ken dat woord niet. Ken je mijn docent?
- kunnen = can / be able to, and also to know a skill or language: Ik kan al een beetje Nederlands. Kun je zwemmen?
- A quick test: if you can say “know that / what / how / where…”, use weten. If a person, place or word follows directly, it's usually kennen (but facts: Ik weet het antwoord).
| weten | kennen | kunnen | |
|---|---|---|---|
| ik | weet | ken | kan |
| jij / u | weet | kent | kunt / kan |
| hij / zij | weet | kent | kan |
| wij / jullie / zij | weten | kennen | kunnen |
Vocabulary
12 new words
- de taalcursuslanguage course
- de uitspraakpronunciation
- de woordenschatvocabulary
- de grammaticagrammar
- de foutmistake
- oefenento practise
- verbeterento correct / improve
- vloeiendfluent(ly)
- het accentaccent
- onthoudento remember / memorise
- het taalmaatjelanguage buddy
- het taalcafélanguage café