B1 · Lesson 157 · Grammar workshop 3
Participles as adjectives
Say “the stolen bike”, “a boiled egg” and “a laughing child”.
Grammar
Past and present participles before a noun
- A past participle can be used as an adjective and normally gets -e like any adjective: de gekookte aardappel, het geopende raam, but een gekookt ei (het-word with een: no -e).
- Participles ending in -en (strong verbs) never get an -e: de gestolen fiets, het gebroken glas, de verloren sleutels, gebakken eieren.
- The present participle is infinitive + -d: lachen → lachend, slapen → slapend. It follows the normal -e rules: een lachend kind, de lachende vrouw, het lopende jaar, de volgende keer.
- A present participle describes something that is going on (active); a past participle describes a result (passive): een huilend kind (a crying child) vs een verwend kind (a spoilt child).
| de-word | het-word (een) | het-word (het) | |
|---|---|---|---|
| weak participle | de gekookte aardappel | een gekookt ei | het gekookte ei |
| strong (-en) | de gestolen fiets | een gebroken glas | het gebroken glas |
| present participle | de lachende vrouw | een lachend kind | het lachende kind |
Vocabulary
12 new words
- gestolenstolen
- gekooktboiled / cooked
- geopendopened / open
- gebrokenbroken
- verlorenlost
- gebakkenfried / baked
- beschadigddamaged
- verwendspoilt
- lachendlaughing
- huilendcrying
- slapendsleeping
- stromendrunning / flowing
Read more
Participles as adjectives in Dutch: een gekookt ei, het gestolen geld
The Dutch present participle: lopend, slapend, volgend
Participle constructions in formal Dutch: gezien, thuisgekomen, lachend