B1 · Lesson 136 · Society & culture
The past perfect
Say what had already happened before something else in the past.
Grammar
Had / was + participle
- The past perfect is had / hadden or was / waren + participle. Choose hebben or zijn just as in the perfect: ik heb gegeten → ik had gegeten, ik ben vertrokken → ik was vertrokken.
- Use it for something that happened before another moment in the past: Toen ik aankwam, was de trein al vertrokken.
- Nadat + past perfect, all verbs to the end: Nadat we hadden gegeten, gingen we wandelen. (gegeten hadden is also correct.)
- After a toen- or nadat-clause, the main clause starts with the verb: Toen ik thuiskwam, was iedereen al weg.
| perfect | past perfect |
|---|---|
| ik heb gewerkt | ik had gewerkt |
| wij hebben gegeten | wij hadden gegeten |
| hij is gegaan | hij was gegaan |
| zij zijn vertrokken | zij waren vertrokken |
Vocabulary
12 new words
- alalready
- nog nietnot yet
- nog nooitnever (before)
- toenwhen (one moment in the past)
- nadatafter (conjunction)
- inmiddelsby then / meanwhile
- vertrekkento leave / depart
- aankomento arrive
- verliezento lose
- gebeurento happen
- merkento notice
- vergetento forget
Read more
The Dutch simple past: werkte, woonde, ging and was