Learn Dutch
A1 · Lesson 19 · Learning & describing

Animals

Pets, farm animals and how to make their plurals.

Grammar

Plurals of animal nouns

  • Most nouns add -en: hond → honden, paard → paarden, dier → dieren.
  • Nouns ending in -el, -er, -en add -s: vogel → vogels, varken → varkens.
  • Short vowel: double the last consonant: kat → katten, vis → vissen. Long vowel: write it once: schaap → schapen.
  • An s often becomes z: muis → muizen. And one to just learn: koe → koeien.
  • All plurals take de: het paard → de paarden.
singularplural
de hondde honden
de katde katten
het schaapde schapen
de vogelde vogels
de muisde muizen
de koede koeien
Vocabulary

12 new words

  • de hond
    dog
  • de kat
    cat
  • het paard
    horse
  • het konijn
    rabbit
  • de vogel
    bird
  • de vis
    fish
  • de koe
    cow
  • het schaap
    sheep
  • het varken
    pig
  • de muis
    mouse
  • de eend
    duck
  • het dier
    animal
Read more

20 Dutch animal idioms (with meanings and examples)