Verb conjugation
bakken to bake; to fry
Mixedperfect with hebben
- Infinitive
- bakken
- Past (sing. / pl.)
- bakte / bakten
- Past participle
- gebakken
- Imperative
- bak!
Present
| ik | ik bak |
|---|---|
| jij / je | jij bakt |
| u | u bakt |
| hij / zij / het | hij bakt |
| wij / we | wij bakken |
| jullie | jullie bakken |
| zij / ze | zij bakken |
| question with jij | bak jij …? |
Simple past
| ik | ik bakte |
|---|---|
| jij / je | jij bakte |
| u | u bakte |
| hij / zij / het | hij bakte |
| wij / we | wij bakten |
| jullie | jullie bakten |
| zij / ze | zij bakten |
Present perfect
| ik | ik heb gebakken |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gebakken |
| u | u hebt/heeft gebakken |
| hij / zij / het | hij heeft gebakken |
| wij / we | wij hebben gebakken |
| jullie | jullie hebben gebakken |
| zij / ze | zij hebben gebakken |
Past perfect
| ik | ik had gebakken |
|---|---|
| jij / je | jij had gebakken |
| u | u had gebakken |
| hij / zij / het | hij had gebakken |
| wij / we | wij hadden gebakken |
| jullie | jullie hadden gebakken |
| zij / ze | zij hadden gebakken |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal bakken |
|---|---|
| jij / je | jij zult bakken |
| u | u zult bakken |
| hij / zij / het | hij zal bakken |
| wij / we | wij zullen bakken |
| jullie | jullie zullen bakken |
| zij / ze | zij zullen bakken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou bakken |
|---|---|
| jij / je | jij zou bakken |
| u | u zou bakken |
| hij / zij / het | hij zou bakken |
| wij / we | wij zouden bakken |
| jullie | jullie zouden bakken |
| zij / ze | zij zouden bakken |
Examples
- Ik bak een ei. — I'm frying an egg.
- Oma heeft een appeltaart gebakken. — Grandma baked an apple pie.