Verb conjugation
heten to be called
Mixedperfect with hebben
- Infinitive
- heten
- Past (sing. / pl.)
- heette / heetten
- Past participle
- geheten
- Imperative
- — (not used)
Present
| ik | ik heet |
|---|---|
| jij / je | jij heet |
| u | u heet |
| hij / zij / het | hij heet |
| wij / we | wij heten |
| jullie | jullie heten |
| zij / ze | zij heten |
| question with jij | heet jij …? |
Simple past
| ik | ik heette |
|---|---|
| jij / je | jij heette |
| u | u heette |
| hij / zij / het | hij heette |
| wij / we | wij heetten |
| jullie | jullie heetten |
| zij / ze | zij heetten |
Present perfect
| ik | ik heb geheten |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geheten |
| u | u hebt/heeft geheten |
| hij / zij / het | hij heeft geheten |
| wij / we | wij hebben geheten |
| jullie | jullie hebben geheten |
| zij / ze | zij hebben geheten |
Past perfect
| ik | ik had geheten |
|---|---|
| jij / je | jij had geheten |
| u | u had geheten |
| hij / zij / het | hij had geheten |
| wij / we | wij hadden geheten |
| jullie | jullie hadden geheten |
| zij / ze | zij hadden geheten |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal heten |
|---|---|
| jij / je | jij zult heten |
| u | u zult heten |
| hij / zij / het | hij zal heten |
| wij / we | wij zullen heten |
| jullie | jullie zullen heten |
| zij / ze | zij zullen heten |
Conditional (zou)
| ik | ik zou heten |
|---|---|
| jij / je | jij zou heten |
| u | u zou heten |
| hij / zij / het | hij zou heten |
| wij / we | wij zouden heten |
| jullie | jullie zouden heten |
| zij / ze | zij zouden heten |
Examples
- Hoe heet je? — What's your name?
- De straat heette vroeger anders. — The street used to have a different name.