Learn Dutch
Verb conjugation

doen to do

Irregularperfect with hebben
Infinitive
doen
Past (sing. / pl.)
deed / deden
Past participle
gedaan
Imperative
doe!

Present

ikik doe
jij / jejij doet
uu doet
hij / zij / hethij doet
wij / wewij doen
julliejullie doen
zij / zezij doen
question with jijdoe jij …?

Simple past

ikik deed
jij / jejij deed
uu deed
hij / zij / hethij deed
wij / wewij deden
julliejullie deden
zij / zezij deden

Present perfect

ikik heb gedaan
jij / jejij hebt gedaan
uu hebt/heeft gedaan
hij / zij / hethij heeft gedaan
wij / wewij hebben gedaan
julliejullie hebben gedaan
zij / zezij hebben gedaan

Past perfect

ikik had gedaan
jij / jejij had gedaan
uu had gedaan
hij / zij / hethij had gedaan
wij / wewij hadden gedaan
julliejullie hadden gedaan
zij / zezij hadden gedaan

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal doen
jij / jejij zult doen
uu zult doen
hij / zij / hethij zal doen
wij / wewij zullen doen
julliejullie zullen doen
zij / zezij zullen doen

Conditional (zou)

ikik zou doen
jij / jejij zou doen
uu zou doen
hij / zij / hethij zou doen
wij / wewij zouden doen
julliejullie zouden doen
zij / zezij zouden doen

Examples

More irregular verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.