Verb conjugation
weten to know (a fact)
Irregularperfect with hebben
- Infinitive
- weten
- Past (sing. / pl.)
- wist / wisten
- Past participle
- geweten
- Imperative
- weet!
Present
| ik | ik weet |
|---|---|
| jij / je | jij weet |
| u | u weet |
| hij / zij / het | hij weet |
| wij / we | wij weten |
| jullie | jullie weten |
| zij / ze | zij weten |
| question with jij | weet jij …? |
Simple past
| ik | ik wist |
|---|---|
| jij / je | jij wist |
| u | u wist |
| hij / zij / het | hij wist |
| wij / we | wij wisten |
| jullie | jullie wisten |
| zij / ze | zij wisten |
Present perfect
| ik | ik heb geweten |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geweten |
| u | u hebt/heeft geweten |
| hij / zij / het | hij heeft geweten |
| wij / we | wij hebben geweten |
| jullie | jullie hebben geweten |
| zij / ze | zij hebben geweten |
Past perfect
| ik | ik had geweten |
|---|---|
| jij / je | jij had geweten |
| u | u had geweten |
| hij / zij / het | hij had geweten |
| wij / we | wij hadden geweten |
| jullie | jullie hadden geweten |
| zij / ze | zij hadden geweten |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal weten |
|---|---|
| jij / je | jij zult weten |
| u | u zult weten |
| hij / zij / het | hij zal weten |
| wij / we | wij zullen weten |
| jullie | jullie zullen weten |
| zij / ze | zij zullen weten |
Conditional (zou)
| ik | ik zou weten |
|---|---|
| jij / je | jij zou weten |
| u | u zou weten |
| hij / zij / het | hij zou weten |
| wij / we | wij zouden weten |
| jullie | jullie zouden weten |
| zij / ze | zij zouden weten |
Examples
- Weet jij hoe laat het is? — Do you know what time it is?
- Ik wist het niet. — I didn't know.