Verb conjugation
staan to stand
Irregularperfect with hebben
- Infinitive
- staan
- Past (sing. / pl.)
- stond / stonden
- Past participle
- gestaan
- Imperative
- sta!
Present
| ik | ik sta |
|---|---|
| jij / je | jij staat |
| u | u staat |
| hij / zij / het | hij staat |
| wij / we | wij staan |
| jullie | jullie staan |
| zij / ze | zij staan |
| question with jij | sta jij …? |
Simple past
| ik | ik stond |
|---|---|
| jij / je | jij stond |
| u | u stond |
| hij / zij / het | hij stond |
| wij / we | wij stonden |
| jullie | jullie stonden |
| zij / ze | zij stonden |
Present perfect
| ik | ik heb gestaan |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gestaan |
| u | u hebt/heeft gestaan |
| hij / zij / het | hij heeft gestaan |
| wij / we | wij hebben gestaan |
| jullie | jullie hebben gestaan |
| zij / ze | zij hebben gestaan |
Past perfect
| ik | ik had gestaan |
|---|---|
| jij / je | jij had gestaan |
| u | u had gestaan |
| hij / zij / het | hij had gestaan |
| wij / we | wij hadden gestaan |
| jullie | jullie hadden gestaan |
| zij / ze | zij hadden gestaan |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal staan |
|---|---|
| jij / je | jij zult staan |
| u | u zult staan |
| hij / zij / het | hij zal staan |
| wij / we | wij zullen staan |
| jullie | jullie zullen staan |
| zij / ze | zij zullen staan |
Conditional (zou)
| ik | ik zou staan |
|---|---|
| jij / je | jij zou staan |
| u | u zou staan |
| hij / zij / het | hij zou staan |
| wij / we | wij zouden staan |
| jullie | jullie zouden staan |
| zij / ze | zij zouden staan |
Examples
- De fiets staat voor het huis. — The bike is (standing) in front of the house.
- We hebben een uur in de rij gestaan. — We stood in the queue for an hour.