Learn Dutch

Dutch irregular verbs list: nearly 80 strong and irregular verbs

A complete reference of common Dutch irregular verbs with past tense, past participle, hebben or zijn, and English, grouped by vowel pattern.

Most Dutch verbs are regular: werken – werkte – gewerkt, done. But the verbs you use most — zijn, gaan, komen, eten, drinken — are exactly the ones that don't follow the rule. The good news is that many of them change their vowel in predictable patterns. Learn the pattern, and a whole family of verbs falls into place.

This page lists nearly 80 common strong and irregular verbs. For each one you get the simple past (singular and plural), the past participle with its helper verb, and the English meaning.

How to read the tables

  • Past sg. is the form for ik, jij, u, hij, zij and het: ik bleef, jij bleef, hij bleef. Strong verbs never add -t or -de here.
  • Past pl. is the form for wij, jullie and zij: wij bleven.
  • Participle shows the helper verb in the third person: heeft (from hebben) or is (from zijn). "heeft/is" means both are used, depending on meaning.
  • Verbs starting with be-, ver-, ont-, her- or ge- get no extra ge- in the participle: begrijpen → begrepen, vergeten → vergeten.

Not sure when to use hebben or zijn? The short rule: zijn goes with verbs of change of place or state (gaan, komen, worden, vallen) when they describe moving somewhere or becoming something; most other verbs take hebben. Our post on the perfect tense covers this in detail.

Pattern 1: ij – ee – ee

The ij becomes a long ee in both the past and the participle. This is the biggest and most reliable group.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
begrijpen begreep begrepen heeft begrepen understand
blijven bleef bleven is gebleven stay
kijken keek keken heeft gekeken look, watch
krijgen kreeg kregen heeft gekregen get, receive
lijken leek leken heeft geleken seem, look like
rijden reed reden heeft/is gereden drive, ride
schrijven schreef schreven heeft geschreven write
snijden sneed sneden heeft gesneden cut
stijgen steeg stegen is gestegen rise
verdwijnen verdween verdwenen is verdwenen disappear
wijzen wees wezen heeft gewezen point
  • Ik keek gisteren naar een film. — I watched a film yesterday.
  • We zijn thuis gebleven. — We stayed at home.

Careful: not every ij verb is strong. Lijmen (to glue) and rijmen (to rhyme) are regular: lijmde, gelijmd. When in doubt, check a dictionary.

Pattern 2: ie / ui / e – oo – oo

Verbs with ie or ui (and a couple with e) switch to oo in the past and the participle.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
bewegen bewoog bewogen heeft bewogen move
bieden bood boden heeft geboden offer
genieten genoot genoten heeft genoten enjoy
kiezen koos kozen heeft gekozen choose
ruiken rook roken heeft geroken smell
schieten schoot schoten heeft geschoten shoot
sluiten sloot sloten heeft gesloten close
verliezen verloor verloren heeft verloren lose
vliegen vloog vlogen heeft/is gevlogen fly
vriezen vroor vroren heeft gevroren freeze

Notice the s/z and r changes: kiezen → koos (a Dutch word can't end in z), and verliezen and vriezen switch to an r: verloor, vroor.

  • Ze koos de rode jas. — She chose the red coat.
  • Het heeft vannacht gevroren. — It froze last night.

Pattern 3: i / e – o – o

Many verbs with a short i or e followed by two consonants get a short o.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
beginnen begon begonnen is begonnen begin
drinken dronk dronken heeft gedronken drink
springen sprong sprongen heeft/is gesprongen jump
vinden vond vonden heeft gevonden find, think
winnen won wonnen heeft gewonnen win
zingen zong zongen heeft gezongen sing
schrikken schrok schrokken is geschrokken get a fright
trekken trok trokken heeft/is getrokken pull, travel around
vechten vocht vochten heeft gevochten fight
zwemmen zwom zwommen heeft/is gezwommen swim
  • De film is om acht uur begonnen. — The film started at eight.
  • Ik ben erg geschrokken. — I got a real fright.

Pattern 4: e / i – a – e

A short a in the singular past, a long aa sound in the plural (spelled with one a), and the participle has an e.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
eten at aten heeft gegeten eat
geven gaf gaven heeft gegeven give
lezen las lazen heeft gelezen read
vergeten vergat vergaten is/heeft vergeten forget
genezen genas genazen is/heeft genezen heal, recover
liggen lag lagen heeft gelegen lie (be lying down)
zitten zat zaten heeft gezeten sit

With vergeten, zijn is the usual choice when you forget something: Ik ben mijn sleutels vergeten. — I've forgotten my keys.

Pattern 5: e – a – o and e – ie – o

These verbs end up with an o in the participle.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
breken brak braken heeft/is gebroken break
nemen nam namen heeft genomen take
spreken sprak spraken heeft gesproken speak
stelen stal stalen heeft gestolen steal
helpen hielp hielpen heeft geholpen help
sterven stierf stierven is gestorven die
  • Mijn fiets is gestolen. — My bike has been stolen.
  • Ik heb mijn been gebroken. — I've broken my leg.

Pattern 6: ie (or i) in the past, original vowel in the participle

The past tense gets ie or i, and the participle simply goes back to the infinitive vowel.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
hangen hing hingen heeft gehangen hang
houden hield hielden heeft gehouden hold, keep
laten liet lieten heeft gelaten let, leave
lopen liep liepen heeft/is gelopen walk
roepen riep riepen heeft geroepen call, shout
slapen sliep sliepen heeft geslapen sleep
vallen viel vielen is gevallen fall
vangen ving vingen heeft gevangen catch

Pattern 7: a – oe – a

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
dragen droeg droegen heeft gedragen carry, wear
varen voer voeren heeft/is gevaren sail, go by boat
slaan sloeg sloegen heeft geslagen hit
vragen vroeg vroegen heeft gevraagd ask

Vragen is a hybrid: strong past (vroeg), but a regular participle (gevraagd). You may occasionally hear the regular past form vraagde, but vroeg is the standard.

Mixed verbs and -cht verbs

Mixed verbs have a regular past tense but a strong participle ending in -en.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
bakken bakte bakten heeft gebakken bake, fry
heten heette heetten heeft geheten be called
lachen lachte lachten heeft gelachen laugh
wassen waste wasten heeft gewassen wash

-cht verbs change their vowel and end in -cht in both the past and the participle — just like English bring – brought, think – thought, buy – bought, seek – sought.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
brengen bracht brachten heeft gebracht bring
denken dacht dachten heeft gedacht think
kopen kocht kochten heeft gekocht buy
zoeken zocht zochten heeft gezocht look for

Compounds follow the same pattern: verkopen – verkocht, bezoeken – bezocht, meebrengen – bracht mee – meegebracht.

The truly irregular verbs

These don't fit any pattern. They are also the most frequent verbs in the language, so you'll learn them fast through sheer repetition.

Infinitive Past sg. Past pl. Participle English
zijn was waren is geweest be
hebben had hadden heeft gehad have
gaan ging gingen is gegaan go
staan stond stonden heeft gestaan stand
doen deed deden heeft gedaan do
zien zag zagen heeft gezien see
komen kwam kwamen is gekomen come
weten wist wisten heeft geweten know (a fact)
zeggen zei zeiden heeft gezegd say
worden werd werden is geworden become
kunnen kon konden heeft gekund can, be able to
mogen mocht mochten heeft gemogen may, be allowed to
moeten moest moesten heeft gemoeten must, have to
willen wilde / wou wilden heeft gewild want
zullen zou zouden (none) will, shall
  • Ik ben vorig jaar in Japan geweest. — I was in Japan last year.
  • Hij zei dat hij moe was. — He said he was tired.
  • We zijn met de trein gegaan. — We went by train.

The participles of the modal verbs are rare, because with another verb Dutch uses the infinitive instead: Ik heb niet kunnen slapen. — I couldn't sleep. See modal verbs for more.

Tip: Don't try to learn this list in one sitting. Learn the infinitive, past and participle as one chunk, out loud — blijven, bleef, gebleven — and add five verbs a day.

Quick summary

  • Strong verbs change their vowel and take no -te/-de in the past; their participle ends in -en.
  • Learn them by pattern: ij–ee–ee, ie–oo–oo, i–o–o, e–a–e, e–a–o, a–ie–a, a–oe–a.
  • Mixed verbs (lachen, bakken, wassen, heten) have a regular past but a participle in -en.
  • -cht verbs (brengen, denken, kopen, zoeken) work like English brought, thought, bought.
  • Zijn is the helper for movement towards a place and change of state; most other verbs take hebben.
  • Regular verbs follow the dt rule and the 't kofschip rule in the simple past.

Practise it

Use these participles in The perfect tense, drill the past forms in The imperfect, and review everyday verbs in Common verbs. For an overview of how all the tenses fit together, read Dutch verb tenses.

Practise this

Turn the theory into a habit

Interactive lessons with exercises, audio and spaced-repetition review — free, no account needed.

More on grammar

Al, nog and pas in Dutch, already, still, yet and only

Learn how to use the Dutch words al, nog, pas, nog niet, niet meer, nog steeds and nog maar, with clear contrasts and everyday examples.

Dutch adjective endings and when to add -e

Een groot huis but het grote huis? Learn when Dutch adjectives take -e, the one exception that matters, and the spelling changes to watch for.

Dutch adverbs: snel, vaak, graag, daarom and more

How Dutch adverbs work, from adjectives used as adverbs to time, place, degree and frequency words, graag, ook, and pronominal adverbs like daarom.

Dutch comparatives and superlatives: groter, grootst, beter, best

How to form Dutch comparatives and superlatives, with spelling rules, irregular forms like beter and liever, dan vs als, and het mooist vs de mooiste.