Learn Dutch
Verb conjugation

meedoen to join in, to take part

Irregularperfect with hebbenseparable: mee + doen
Infinitive
meedoen
Past (sing. / pl.)
deed mee / deden mee
Past participle
meegedaan
Imperative
doe mee!

Present

ikik doe mee
jij / jejij doet mee
uu doet mee
hij / zij / hethij doet mee
wij / wewij doen mee
julliejullie doen mee
zij / zezij doen mee
question with jijdoe jij … mee?

Simple past

ikik deed mee
jij / jejij deed mee
uu deed mee
hij / zij / hethij deed mee
wij / wewij deden mee
julliejullie deden mee
zij / zezij deden mee

Present perfect

ikik heb meegedaan
jij / jejij hebt meegedaan
uu hebt/heeft meegedaan
hij / zij / hethij heeft meegedaan
wij / wewij hebben meegedaan
julliejullie hebben meegedaan
zij / zezij hebben meegedaan

Past perfect

ikik had meegedaan
jij / jejij had meegedaan
uu had meegedaan
hij / zij / hethij had meegedaan
wij / wewij hadden meegedaan
julliejullie hadden meegedaan
zij / zezij hadden meegedaan

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal meedoen
jij / jejij zult meedoen
uu zult meedoen
hij / zij / hethij zal meedoen
wij / wewij zullen meedoen
julliejullie zullen meedoen
zij / zezij zullen meedoen

Conditional (zou)

ikik zou meedoen
jij / jejij zou meedoen
uu zou meedoen
hij / zij / hethij zou meedoen
wij / wewij zouden meedoen
julliejullie zouden meedoen
zij / zezij zouden meedoen

In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik meedoen → see separable verbs.

Examples

More irregular verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.