Verb conjugation
opstaan to get up, to stand up
Irregularperfect with zijnseparable: op + staan
- Infinitive
- opstaan
- Past (sing. / pl.)
- stond op / stonden op
- Past participle
- opgestaan
- Imperative
- sta op!
Present
| ik | ik sta op |
|---|---|
| jij / je | jij staat op |
| u | u staat op |
| hij / zij / het | hij staat op |
| wij / we | wij staan op |
| jullie | jullie staan op |
| zij / ze | zij staan op |
| question with jij | sta jij … op? |
Simple past
| ik | ik stond op |
|---|---|
| jij / je | jij stond op |
| u | u stond op |
| hij / zij / het | hij stond op |
| wij / we | wij stonden op |
| jullie | jullie stonden op |
| zij / ze | zij stonden op |
Present perfect
| ik | ik ben opgestaan |
|---|---|
| jij / je | jij bent opgestaan |
| u | u bent opgestaan |
| hij / zij / het | hij is opgestaan |
| wij / we | wij zijn opgestaan |
| jullie | jullie zijn opgestaan |
| zij / ze | zij zijn opgestaan |
Past perfect
| ik | ik was opgestaan |
|---|---|
| jij / je | jij was opgestaan |
| u | u was opgestaan |
| hij / zij / het | hij was opgestaan |
| wij / we | wij waren opgestaan |
| jullie | jullie waren opgestaan |
| zij / ze | zij waren opgestaan |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal opstaan |
|---|---|
| jij / je | jij zult opstaan |
| u | u zult opstaan |
| hij / zij / het | hij zal opstaan |
| wij / we | wij zullen opstaan |
| jullie | jullie zullen opstaan |
| zij / ze | zij zullen opstaan |
Conditional (zou)
| ik | ik zou opstaan |
|---|---|
| jij / je | jij zou opstaan |
| u | u zou opstaan |
| hij / zij / het | hij zou opstaan |
| wij / we | wij zouden opstaan |
| jullie | jullie zouden opstaan |
| zij / ze | zij zouden opstaan |
In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik opstaan → see separable verbs.
Examples
- Ik sta elke dag om zeven uur op. — I get up at seven every day.
- Ze is vanochtend vroeg opgestaan. — She got up early this morning.