Learn Dutch
Verb conjugation

uitgaan to go out

Irregularperfect with zijnseparable: uit + gaan
Infinitive
uitgaan
Past (sing. / pl.)
ging uit / gingen uit
Past participle
uitgegaan
Imperative
ga uit!

Present

ikik ga uit
jij / jejij gaat uit
uu gaat uit
hij / zij / hethij gaat uit
wij / wewij gaan uit
julliejullie gaan uit
zij / zezij gaan uit
question with jijga jij … uit?

Simple past

ikik ging uit
jij / jejij ging uit
uu ging uit
hij / zij / hethij ging uit
wij / wewij gingen uit
julliejullie gingen uit
zij / zezij gingen uit

Present perfect

ikik ben uitgegaan
jij / jejij bent uitgegaan
uu bent uitgegaan
hij / zij / hethij is uitgegaan
wij / wewij zijn uitgegaan
julliejullie zijn uitgegaan
zij / zezij zijn uitgegaan

Past perfect

ikik was uitgegaan
jij / jejij was uitgegaan
uu was uitgegaan
hij / zij / hethij was uitgegaan
wij / wewij waren uitgegaan
julliejullie waren uitgegaan
zij / zezij waren uitgegaan

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal uitgaan
jij / jejij zult uitgaan
uu zult uitgaan
hij / zij / hethij zal uitgaan
wij / wewij zullen uitgaan
julliejullie zullen uitgaan
zij / zezij zullen uitgaan

Conditional (zou)

ikik zou uitgaan
jij / jejij zou uitgaan
uu zou uitgaan
hij / zij / hethij zou uitgaan
wij / wewij zouden uitgaan
julliejullie zouden uitgaan
zij / zezij zouden uitgaan

In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik uitgaan → see separable verbs.

Examples

More irregular verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.