Verb conjugation
uitgaan to go out
Irregularperfect with zijnseparable: uit + gaan
- Infinitive
- uitgaan
- Past (sing. / pl.)
- ging uit / gingen uit
- Past participle
- uitgegaan
- Imperative
- ga uit!
Present
| ik | ik ga uit |
|---|---|
| jij / je | jij gaat uit |
| u | u gaat uit |
| hij / zij / het | hij gaat uit |
| wij / we | wij gaan uit |
| jullie | jullie gaan uit |
| zij / ze | zij gaan uit |
| question with jij | ga jij … uit? |
Simple past
| ik | ik ging uit |
|---|---|
| jij / je | jij ging uit |
| u | u ging uit |
| hij / zij / het | hij ging uit |
| wij / we | wij gingen uit |
| jullie | jullie gingen uit |
| zij / ze | zij gingen uit |
Present perfect
| ik | ik ben uitgegaan |
|---|---|
| jij / je | jij bent uitgegaan |
| u | u bent uitgegaan |
| hij / zij / het | hij is uitgegaan |
| wij / we | wij zijn uitgegaan |
| jullie | jullie zijn uitgegaan |
| zij / ze | zij zijn uitgegaan |
Past perfect
| ik | ik was uitgegaan |
|---|---|
| jij / je | jij was uitgegaan |
| u | u was uitgegaan |
| hij / zij / het | hij was uitgegaan |
| wij / we | wij waren uitgegaan |
| jullie | jullie waren uitgegaan |
| zij / ze | zij waren uitgegaan |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal uitgaan |
|---|---|
| jij / je | jij zult uitgaan |
| u | u zult uitgaan |
| hij / zij / het | hij zal uitgaan |
| wij / we | wij zullen uitgaan |
| jullie | jullie zullen uitgaan |
| zij / ze | zij zullen uitgaan |
Conditional (zou)
| ik | ik zou uitgaan |
|---|---|
| jij / je | jij zou uitgaan |
| u | u zou uitgaan |
| hij / zij / het | hij zou uitgaan |
| wij / we | wij zouden uitgaan |
| jullie | jullie zouden uitgaan |
| zij / ze | zij zouden uitgaan |
In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik uitgaan → see separable verbs.
Examples
- We gaan vanavond uit. — We're going out tonight.
- Ze zijn zaterdag tot drie uur uitgegaan. — They went out until three o'clock on Saturday.