Verb conjugation
verkopen to sell
Irregularperfect with hebben
- Infinitive
- verkopen
- Past (sing. / pl.)
- verkocht / verkochten
- Past participle
- verkocht
- Imperative
- verkoop!
Present
| ik | ik verkoop |
|---|---|
| jij / je | jij verkoopt |
| u | u verkoopt |
| hij / zij / het | hij verkoopt |
| wij / we | wij verkopen |
| jullie | jullie verkopen |
| zij / ze | zij verkopen |
| question with jij | verkoop jij …? |
Simple past
| ik | ik verkocht |
|---|---|
| jij / je | jij verkocht |
| u | u verkocht |
| hij / zij / het | hij verkocht |
| wij / we | wij verkochten |
| jullie | jullie verkochten |
| zij / ze | zij verkochten |
Present perfect
| ik | ik heb verkocht |
|---|---|
| jij / je | jij hebt verkocht |
| u | u hebt/heeft verkocht |
| hij / zij / het | hij heeft verkocht |
| wij / we | wij hebben verkocht |
| jullie | jullie hebben verkocht |
| zij / ze | zij hebben verkocht |
Past perfect
| ik | ik had verkocht |
|---|---|
| jij / je | jij had verkocht |
| u | u had verkocht |
| hij / zij / het | hij had verkocht |
| wij / we | wij hadden verkocht |
| jullie | jullie hadden verkocht |
| zij / ze | zij hadden verkocht |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal verkopen |
|---|---|
| jij / je | jij zult verkopen |
| u | u zult verkopen |
| hij / zij / het | hij zal verkopen |
| wij / we | wij zullen verkopen |
| jullie | jullie zullen verkopen |
| zij / ze | zij zullen verkopen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou verkopen |
|---|---|
| jij / je | jij zou verkopen |
| u | u zou verkopen |
| hij / zij / het | hij zou verkopen |
| wij / we | wij zouden verkopen |
| jullie | jullie zouden verkopen |
| zij / ze | zij zouden verkopen |
Examples
- Ze verkopen verse vis op de markt. — They sell fresh fish at the market.
- We hebben onze auto verkocht. — We've sold our car.