B1 · Lesson 127 · Grammar in context
The word “er”
One little word, four big jobs.
Grammar
Four uses of er
- Place (“there”): Ben je in Gent geweest? Ja, ik ben er vorig jaar geweest.
- There is / are: Er is een probleem. Er zijn veel toeristen.
- With a number — replaces the noun: Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee.
- With a preposition instead of het or dat for things: Ik denk eraan (not aan het). In longer sentences it splits: Ik denk er vaak aan.
- Note met → mee and tot → toe: ermee, ertoe.
| preposition | er + preposition | example |
|---|---|---|
| aan | eraan | Ik denk eraan. |
| op | erop | Ik wacht erop. |
| over | erover | We praten erover. |
| met | ermee | Ik ben er blij mee. |
| van | ervan | Ik hou ervan. |
| voor | ervoor | Ik ben er bang voor. |
Vocabulary
12 new words
- denken aanto think of / about
- wachten opto wait for
- praten overto talk about
- blij zijn metto be happy with
- bang zijn voorto be afraid of
- zorgen voorto take care of
- eraanabout it / of it (aan)
- eropfor it / on it (op)
- eroverabout it (over)
- ermeewith it (met)
- ervanof it (van)
- ervoorfor it (voor)
Read more
15 common mistakes English speakers make in Dutch
Dutch adverbs: snel, vaak, graag, daarom and more
Dutch positional verbs: liggen, staan, zitten and hangen
Dummy het in Dutch: het regent, het is laat, het zijn mijn ouders
Dutch adjectives with prepositions: trots op, bang voor, blij met
Dutch nouns with fixed prepositions: zin in, behoefte aan, kans op
Dutch relative pronouns: die, dat, wat, wie and waar
Dutch verbs with prepositions: wachten op, denken aan and 28 more
Hij, zij or het? Referring to things in Dutch
The Dutch word 'er' explained: all its uses
Er in complex Dutch sentences: combined functions and word order