Verb conjugation
beginnen to begin, to start
Strongperfect with zijn
- Infinitive
- beginnen
- Past (sing. / pl.)
- begon / begonnen
- Past participle
- begonnen
- Imperative
- begin!
Present
| ik | ik begin |
|---|---|
| jij / je | jij begint |
| u | u begint |
| hij / zij / het | hij begint |
| wij / we | wij beginnen |
| jullie | jullie beginnen |
| zij / ze | zij beginnen |
| question with jij | begin jij …? |
Simple past
| ik | ik begon |
|---|---|
| jij / je | jij begon |
| u | u begon |
| hij / zij / het | hij begon |
| wij / we | wij begonnen |
| jullie | jullie begonnen |
| zij / ze | zij begonnen |
Present perfect
| ik | ik ben begonnen |
|---|---|
| jij / je | jij bent begonnen |
| u | u bent begonnen |
| hij / zij / het | hij is begonnen |
| wij / we | wij zijn begonnen |
| jullie | jullie zijn begonnen |
| zij / ze | zij zijn begonnen |
Past perfect
| ik | ik was begonnen |
|---|---|
| jij / je | jij was begonnen |
| u | u was begonnen |
| hij / zij / het | hij was begonnen |
| wij / we | wij waren begonnen |
| jullie | jullie waren begonnen |
| zij / ze | zij waren begonnen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal beginnen |
|---|---|
| jij / je | jij zult beginnen |
| u | u zult beginnen |
| hij / zij / het | hij zal beginnen |
| wij / we | wij zullen beginnen |
| jullie | jullie zullen beginnen |
| zij / ze | zij zullen beginnen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou beginnen |
|---|---|
| jij / je | jij zou beginnen |
| u | u zou beginnen |
| hij / zij / het | hij zou beginnen |
| wij / we | wij zouden beginnen |
| jullie | jullie zouden beginnen |
| zij / ze | zij zouden beginnen |
Examples
- De film begint om negen uur. — The film starts at nine.
- Ik ben vorige maand met een cursus begonnen. — I started a course last month.