Learn Dutch
Verb conjugation

beginnen to begin, to start

Strongperfect with zijn
Infinitive
beginnen
Past (sing. / pl.)
begon / begonnen
Past participle
begonnen
Imperative
begin!

Present

ikik begin
jij / jejij begint
uu begint
hij / zij / hethij begint
wij / wewij beginnen
julliejullie beginnen
zij / zezij beginnen
question with jijbegin jij …?

Simple past

ikik begon
jij / jejij begon
uu begon
hij / zij / hethij begon
wij / wewij begonnen
julliejullie begonnen
zij / zezij begonnen

Present perfect

ikik ben begonnen
jij / jejij bent begonnen
uu bent begonnen
hij / zij / hethij is begonnen
wij / wewij zijn begonnen
julliejullie zijn begonnen
zij / zezij zijn begonnen

Past perfect

ikik was begonnen
jij / jejij was begonnen
uu was begonnen
hij / zij / hethij was begonnen
wij / wewij waren begonnen
julliejullie waren begonnen
zij / zezij waren begonnen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal beginnen
jij / jejij zult beginnen
uu zult beginnen
hij / zij / hethij zal beginnen
wij / wewij zullen beginnen
julliejullie zullen beginnen
zij / zezij zullen beginnen

Conditional (zou)

ikik zou beginnen
jij / jejij zou beginnen
uu zou beginnen
hij / zij / hethij zou beginnen
wij / wewij zouden beginnen
julliejullie zouden beginnen
zij / zezij zouden beginnen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.