Verb conjugation
worden to become
Strongperfect with zijn
- Infinitive
- worden
- Past (sing. / pl.)
- werd / werden
- Past participle
- geworden
- Imperative
- word!
Present
| ik | ik word |
|---|---|
| jij / je | jij wordt |
| u | u wordt |
| hij / zij / het | hij wordt |
| wij / we | wij worden |
| jullie | jullie worden |
| zij / ze | zij worden |
| question with jij | word jij …? |
Simple past
| ik | ik werd |
|---|---|
| jij / je | jij werd |
| u | u werd |
| hij / zij / het | hij werd |
| wij / we | wij werden |
| jullie | jullie werden |
| zij / ze | zij werden |
Present perfect
| ik | ik ben geworden |
|---|---|
| jij / je | jij bent geworden |
| u | u bent geworden |
| hij / zij / het | hij is geworden |
| wij / we | wij zijn geworden |
| jullie | jullie zijn geworden |
| zij / ze | zij zijn geworden |
Past perfect
| ik | ik was geworden |
|---|---|
| jij / je | jij was geworden |
| u | u was geworden |
| hij / zij / het | hij was geworden |
| wij / we | wij waren geworden |
| jullie | jullie waren geworden |
| zij / ze | zij waren geworden |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal worden |
|---|---|
| jij / je | jij zult worden |
| u | u zult worden |
| hij / zij / het | hij zal worden |
| wij / we | wij zullen worden |
| jullie | jullie zullen worden |
| zij / ze | zij zullen worden |
Conditional (zou)
| ik | ik zou worden |
|---|---|
| jij / je | jij zou worden |
| u | u zou worden |
| hij / zij / het | hij zou worden |
| wij / we | wij zouden worden |
| jullie | jullie zouden worden |
| zij / ze | zij zouden worden |
Examples
- Het wordt al donker. — It's already getting dark.
- Hij is dokter geworden. — He became a doctor.