Learn Dutch
Verb conjugation

vinden to find; to think (opinion)

Strongperfect with hebben
Infinitive
vinden
Past (sing. / pl.)
vond / vonden
Past participle
gevonden
Imperative
vind!

Present

ikik vind
jij / jejij vindt
uu vindt
hij / zij / hethij vindt
wij / wewij vinden
julliejullie vinden
zij / zezij vinden
question with jijvind jij …?

Simple past

ikik vond
jij / jejij vond
uu vond
hij / zij / hethij vond
wij / wewij vonden
julliejullie vonden
zij / zezij vonden

Present perfect

ikik heb gevonden
jij / jejij hebt gevonden
uu hebt/heeft gevonden
hij / zij / hethij heeft gevonden
wij / wewij hebben gevonden
julliejullie hebben gevonden
zij / zezij hebben gevonden

Past perfect

ikik had gevonden
jij / jejij had gevonden
uu had gevonden
hij / zij / hethij had gevonden
wij / wewij hadden gevonden
julliejullie hadden gevonden
zij / zezij hadden gevonden

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal vinden
jij / jejij zult vinden
uu zult vinden
hij / zij / hethij zal vinden
wij / wewij zullen vinden
julliejullie zullen vinden
zij / zezij zullen vinden

Conditional (zou)

ikik zou vinden
jij / jejij zou vinden
uu zou vinden
hij / zij / hethij zou vinden
wij / wewij zouden vinden
julliejullie zouden vinden
zij / zezij zouden vinden

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.