Verb conjugation
vinden to find; to think (opinion)
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- vinden
- Past (sing. / pl.)
- vond / vonden
- Past participle
- gevonden
- Imperative
- vind!
Present
| ik | ik vind |
|---|---|
| jij / je | jij vindt |
| u | u vindt |
| hij / zij / het | hij vindt |
| wij / we | wij vinden |
| jullie | jullie vinden |
| zij / ze | zij vinden |
| question with jij | vind jij …? |
Simple past
| ik | ik vond |
|---|---|
| jij / je | jij vond |
| u | u vond |
| hij / zij / het | hij vond |
| wij / we | wij vonden |
| jullie | jullie vonden |
| zij / ze | zij vonden |
Present perfect
| ik | ik heb gevonden |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gevonden |
| u | u hebt/heeft gevonden |
| hij / zij / het | hij heeft gevonden |
| wij / we | wij hebben gevonden |
| jullie | jullie hebben gevonden |
| zij / ze | zij hebben gevonden |
Past perfect
| ik | ik had gevonden |
|---|---|
| jij / je | jij had gevonden |
| u | u had gevonden |
| hij / zij / het | hij had gevonden |
| wij / we | wij hadden gevonden |
| jullie | jullie hadden gevonden |
| zij / ze | zij hadden gevonden |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal vinden |
|---|---|
| jij / je | jij zult vinden |
| u | u zult vinden |
| hij / zij / het | hij zal vinden |
| wij / we | wij zullen vinden |
| jullie | jullie zullen vinden |
| zij / ze | zij zullen vinden |
Conditional (zou)
| ik | ik zou vinden |
|---|---|
| jij / je | jij zou vinden |
| u | u zou vinden |
| hij / zij / het | hij zou vinden |
| wij / we | wij zouden vinden |
| jullie | jullie zouden vinden |
| zij / ze | zij zouden vinden |
Examples
- Wat vind jij van dit plan? — What do you think of this plan?
- Ik heb mijn sleutels gevonden. — I've found my keys.