Verb conjugation
komen to come
Strongperfect with zijn
- Infinitive
- komen
- Past (sing. / pl.)
- kwam / kwamen
- Past participle
- gekomen
- Imperative
- kom!
Present
| ik | ik kom |
|---|---|
| jij / je | jij komt |
| u | u komt |
| hij / zij / het | hij komt |
| wij / we | wij komen |
| jullie | jullie komen |
| zij / ze | zij komen |
| question with jij | kom jij …? |
Simple past
| ik | ik kwam |
|---|---|
| jij / je | jij kwam |
| u | u kwam |
| hij / zij / het | hij kwam |
| wij / we | wij kwamen |
| jullie | jullie kwamen |
| zij / ze | zij kwamen |
Present perfect
| ik | ik ben gekomen |
|---|---|
| jij / je | jij bent gekomen |
| u | u bent gekomen |
| hij / zij / het | hij is gekomen |
| wij / we | wij zijn gekomen |
| jullie | jullie zijn gekomen |
| zij / ze | zij zijn gekomen |
Past perfect
| ik | ik was gekomen |
|---|---|
| jij / je | jij was gekomen |
| u | u was gekomen |
| hij / zij / het | hij was gekomen |
| wij / we | wij waren gekomen |
| jullie | jullie waren gekomen |
| zij / ze | zij waren gekomen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal komen |
|---|---|
| jij / je | jij zult komen |
| u | u zult komen |
| hij / zij / het | hij zal komen |
| wij / we | wij zullen komen |
| jullie | jullie zullen komen |
| zij / ze | zij zullen komen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou komen |
|---|---|
| jij / je | jij zou komen |
| u | u zou komen |
| hij / zij / het | hij zou komen |
| wij / we | wij zouden komen |
| jullie | jullie zouden komen |
| zij / ze | zij zouden komen |
Examples
- Waar kom je vandaan? — Where are you from?
- Ze kwam te laat op haar werk. — She was late for work.