Verb conjugation
slapen to sleep
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- slapen
- Past (sing. / pl.)
- sliep / sliepen
- Past participle
- geslapen
- Imperative
- slaap!
Present
| ik | ik slaap |
|---|---|
| jij / je | jij slaapt |
| u | u slaapt |
| hij / zij / het | hij slaapt |
| wij / we | wij slapen |
| jullie | jullie slapen |
| zij / ze | zij slapen |
| question with jij | slaap jij …? |
Simple past
| ik | ik sliep |
|---|---|
| jij / je | jij sliep |
| u | u sliep |
| hij / zij / het | hij sliep |
| wij / we | wij sliepen |
| jullie | jullie sliepen |
| zij / ze | zij sliepen |
Present perfect
| ik | ik heb geslapen |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geslapen |
| u | u hebt/heeft geslapen |
| hij / zij / het | hij heeft geslapen |
| wij / we | wij hebben geslapen |
| jullie | jullie hebben geslapen |
| zij / ze | zij hebben geslapen |
Past perfect
| ik | ik had geslapen |
|---|---|
| jij / je | jij had geslapen |
| u | u had geslapen |
| hij / zij / het | hij had geslapen |
| wij / we | wij hadden geslapen |
| jullie | jullie hadden geslapen |
| zij / ze | zij hadden geslapen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal slapen |
|---|---|
| jij / je | jij zult slapen |
| u | u zult slapen |
| hij / zij / het | hij zal slapen |
| wij / we | wij zullen slapen |
| jullie | jullie zullen slapen |
| zij / ze | zij zullen slapen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou slapen |
|---|---|
| jij / je | jij zou slapen |
| u | u zou slapen |
| hij / zij / het | hij zou slapen |
| wij / we | wij zouden slapen |
| jullie | jullie zouden slapen |
| zij / ze | zij zouden slapen |
Examples
- De baby slaapt. — The baby is sleeping.
- Heb je goed geslapen? — Did you sleep well?