Learn Dutch
Verb conjugation

geven to give

Strongperfect with hebben
Infinitive
geven
Past (sing. / pl.)
gaf / gaven
Past participle
gegeven
Imperative
geef!

Present

ikik geef
jij / jejij geeft
uu geeft
hij / zij / hethij geeft
wij / wewij geven
julliejullie geven
zij / zezij geven
question with jijgeef jij …?

Simple past

ikik gaf
jij / jejij gaf
uu gaf
hij / zij / hethij gaf
wij / wewij gaven
julliejullie gaven
zij / zezij gaven

Present perfect

ikik heb gegeven
jij / jejij hebt gegeven
uu hebt/heeft gegeven
hij / zij / hethij heeft gegeven
wij / wewij hebben gegeven
julliejullie hebben gegeven
zij / zezij hebben gegeven

Past perfect

ikik had gegeven
jij / jejij had gegeven
uu had gegeven
hij / zij / hethij had gegeven
wij / wewij hadden gegeven
julliejullie hadden gegeven
zij / zezij hadden gegeven

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal geven
jij / jejij zult geven
uu zult geven
hij / zij / hethij zal geven
wij / wewij zullen geven
julliejullie zullen geven
zij / zezij zullen geven

Conditional (zou)

ikik zou geven
jij / jejij zou geven
uu zou geven
hij / zij / hethij zou geven
wij / wewij zouden geven
julliejullie zouden geven
zij / zezij zouden geven

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.