Verb conjugation
geven to give
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- geven
- Past (sing. / pl.)
- gaf / gaven
- Past participle
- gegeven
- Imperative
- geef!
Present
| ik | ik geef |
|---|---|
| jij / je | jij geeft |
| u | u geeft |
| hij / zij / het | hij geeft |
| wij / we | wij geven |
| jullie | jullie geven |
| zij / ze | zij geven |
| question with jij | geef jij …? |
Simple past
| ik | ik gaf |
|---|---|
| jij / je | jij gaf |
| u | u gaf |
| hij / zij / het | hij gaf |
| wij / we | wij gaven |
| jullie | jullie gaven |
| zij / ze | zij gaven |
Present perfect
| ik | ik heb gegeven |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gegeven |
| u | u hebt/heeft gegeven |
| hij / zij / het | hij heeft gegeven |
| wij / we | wij hebben gegeven |
| jullie | jullie hebben gegeven |
| zij / ze | zij hebben gegeven |
Past perfect
| ik | ik had gegeven |
|---|---|
| jij / je | jij had gegeven |
| u | u had gegeven |
| hij / zij / het | hij had gegeven |
| wij / we | wij hadden gegeven |
| jullie | jullie hadden gegeven |
| zij / ze | zij hadden gegeven |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal geven |
|---|---|
| jij / je | jij zult geven |
| u | u zult geven |
| hij / zij / het | hij zal geven |
| wij / we | wij zullen geven |
| jullie | jullie zullen geven |
| zij / ze | zij zullen geven |
Conditional (zou)
| ik | ik zou geven |
|---|---|
| jij / je | jij zou geven |
| u | u zou geven |
| hij / zij / het | hij zou geven |
| wij / we | wij zouden geven |
| jullie | jullie zouden geven |
| zij / ze | zij zouden geven |
Examples
- Geef je me het zout even? — Could you pass me the salt?
- Ze heeft hem een boek gegeven. — She gave him a book.