Learn Dutch
Verb conjugation

begrijpen to understand

Strongperfect with hebben
Infinitive
begrijpen
Past (sing. / pl.)
begreep / begrepen
Past participle
begrepen
Imperative
begrijp!

Present

ikik begrijp
jij / jejij begrijpt
uu begrijpt
hij / zij / hethij begrijpt
wij / wewij begrijpen
julliejullie begrijpen
zij / zezij begrijpen
question with jijbegrijp jij …?

Simple past

ikik begreep
jij / jejij begreep
uu begreep
hij / zij / hethij begreep
wij / wewij begrepen
julliejullie begrepen
zij / zezij begrepen

Present perfect

ikik heb begrepen
jij / jejij hebt begrepen
uu hebt/heeft begrepen
hij / zij / hethij heeft begrepen
wij / wewij hebben begrepen
julliejullie hebben begrepen
zij / zezij hebben begrepen

Past perfect

ikik had begrepen
jij / jejij had begrepen
uu had begrepen
hij / zij / hethij had begrepen
wij / wewij hadden begrepen
julliejullie hadden begrepen
zij / zezij hadden begrepen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal begrijpen
jij / jejij zult begrijpen
uu zult begrijpen
hij / zij / hethij zal begrijpen
wij / wewij zullen begrijpen
julliejullie zullen begrijpen
zij / zezij zullen begrijpen

Conditional (zou)

ikik zou begrijpen
jij / jejij zou begrijpen
uu zou begrijpen
hij / zij / hethij zou begrijpen
wij / wewij zouden begrijpen
julliejullie zouden begrijpen
zij / zezij zouden begrijpen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.