Learn Dutch
Verb conjugation

drinken to drink

Strongperfect with hebben
Infinitive
drinken
Past (sing. / pl.)
dronk / dronken
Past participle
gedronken
Imperative
drink!

Present

ikik drink
jij / jejij drinkt
uu drinkt
hij / zij / hethij drinkt
wij / wewij drinken
julliejullie drinken
zij / zezij drinken
question with jijdrink jij …?

Simple past

ikik dronk
jij / jejij dronk
uu dronk
hij / zij / hethij dronk
wij / wewij dronken
julliejullie dronken
zij / zezij dronken

Present perfect

ikik heb gedronken
jij / jejij hebt gedronken
uu hebt/heeft gedronken
hij / zij / hethij heeft gedronken
wij / wewij hebben gedronken
julliejullie hebben gedronken
zij / zezij hebben gedronken

Past perfect

ikik had gedronken
jij / jejij had gedronken
uu had gedronken
hij / zij / hethij had gedronken
wij / wewij hadden gedronken
julliejullie hadden gedronken
zij / zezij hadden gedronken

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal drinken
jij / jejij zult drinken
uu zult drinken
hij / zij / hethij zal drinken
wij / wewij zullen drinken
julliejullie zullen drinken
zij / zezij zullen drinken

Conditional (zou)

ikik zou drinken
jij / jejij zou drinken
uu zou drinken
hij / zij / hethij zou drinken
wij / wewij zouden drinken
julliejullie zouden drinken
zij / zezij zouden drinken

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.