Verb conjugation
drinken to drink
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- drinken
- Past (sing. / pl.)
- dronk / dronken
- Past participle
- gedronken
- Imperative
- drink!
Present
| ik | ik drink |
|---|---|
| jij / je | jij drinkt |
| u | u drinkt |
| hij / zij / het | hij drinkt |
| wij / we | wij drinken |
| jullie | jullie drinken |
| zij / ze | zij drinken |
| question with jij | drink jij …? |
Simple past
| ik | ik dronk |
|---|---|
| jij / je | jij dronk |
| u | u dronk |
| hij / zij / het | hij dronk |
| wij / we | wij dronken |
| jullie | jullie dronken |
| zij / ze | zij dronken |
Present perfect
| ik | ik heb gedronken |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gedronken |
| u | u hebt/heeft gedronken |
| hij / zij / het | hij heeft gedronken |
| wij / we | wij hebben gedronken |
| jullie | jullie hebben gedronken |
| zij / ze | zij hebben gedronken |
Past perfect
| ik | ik had gedronken |
|---|---|
| jij / je | jij had gedronken |
| u | u had gedronken |
| hij / zij / het | hij had gedronken |
| wij / we | wij hadden gedronken |
| jullie | jullie hadden gedronken |
| zij / ze | zij hadden gedronken |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal drinken |
|---|---|
| jij / je | jij zult drinken |
| u | u zult drinken |
| hij / zij / het | hij zal drinken |
| wij / we | wij zullen drinken |
| jullie | jullie zullen drinken |
| zij / ze | zij zullen drinken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou drinken |
|---|---|
| jij / je | jij zou drinken |
| u | u zou drinken |
| hij / zij / het | hij zou drinken |
| wij / we | wij zouden drinken |
| jullie | jullie zouden drinken |
| zij / ze | zij zouden drinken |
Examples
- Drink je koffie of thee? — Do you drink coffee or tea?
- We hebben samen een biertje gedronken. — We had a beer together.