Learn Dutch
Verb conjugation

helpen to help

Strongperfect with hebben
Infinitive
helpen
Past (sing. / pl.)
hielp / hielpen
Past participle
geholpen
Imperative
help!

Present

ikik help
jij / jejij helpt
uu helpt
hij / zij / hethij helpt
wij / wewij helpen
julliejullie helpen
zij / zezij helpen
question with jijhelp jij …?

Simple past

ikik hielp
jij / jejij hielp
uu hielp
hij / zij / hethij hielp
wij / wewij hielpen
julliejullie hielpen
zij / zezij hielpen

Present perfect

ikik heb geholpen
jij / jejij hebt geholpen
uu hebt/heeft geholpen
hij / zij / hethij heeft geholpen
wij / wewij hebben geholpen
julliejullie hebben geholpen
zij / zezij hebben geholpen

Past perfect

ikik had geholpen
jij / jejij had geholpen
uu had geholpen
hij / zij / hethij had geholpen
wij / wewij hadden geholpen
julliejullie hadden geholpen
zij / zezij hadden geholpen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal helpen
jij / jejij zult helpen
uu zult helpen
hij / zij / hethij zal helpen
wij / wewij zullen helpen
julliejullie zullen helpen
zij / zezij zullen helpen

Conditional (zou)

ikik zou helpen
jij / jejij zou helpen
uu zou helpen
hij / zij / hethij zou helpen
wij / wewij zouden helpen
julliejullie zouden helpen
zij / zezij zouden helpen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.