Verb conjugation
houden to hold, to keep (houden van = to love)
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- houden
- Past (sing. / pl.)
- hield / hielden
- Past participle
- gehouden
- Imperative
- houd / hou!
Present
| ik | ik houd / hou |
|---|---|
| jij / je | jij houdt |
| u | u houdt |
| hij / zij / het | hij houdt |
| wij / we | wij houden |
| jullie | jullie houden |
| zij / ze | zij houden |
| question with jij | houd jij …? / hou jij …? |
Simple past
| ik | ik hield |
|---|---|
| jij / je | jij hield |
| u | u hield |
| hij / zij / het | hij hield |
| wij / we | wij hielden |
| jullie | jullie hielden |
| zij / ze | zij hielden |
Present perfect
| ik | ik heb gehouden |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gehouden |
| u | u hebt/heeft gehouden |
| hij / zij / het | hij heeft gehouden |
| wij / we | wij hebben gehouden |
| jullie | jullie hebben gehouden |
| zij / ze | zij hebben gehouden |
Past perfect
| ik | ik had gehouden |
|---|---|
| jij / je | jij had gehouden |
| u | u had gehouden |
| hij / zij / het | hij had gehouden |
| wij / we | wij hadden gehouden |
| jullie | jullie hadden gehouden |
| zij / ze | zij hadden gehouden |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal houden |
|---|---|
| jij / je | jij zult houden |
| u | u zult houden |
| hij / zij / het | hij zal houden |
| wij / we | wij zullen houden |
| jullie | jullie zullen houden |
| zij / ze | zij zullen houden |
Conditional (zou)
| ik | ik zou houden |
|---|---|
| jij / je | jij zou houden |
| u | u zou houden |
| hij / zij / het | hij zou houden |
| wij / we | wij zouden houden |
| jullie | jullie zouden houden |
| zij / ze | zij zouden houden |
Examples
- Ik hou van jou. — I love you.
- Hij heeft zijn belofte gehouden. — He kept his promise.