Learn Dutch
Verb conjugation

kijken to look, to watch

Strongperfect with hebben
Infinitive
kijken
Past (sing. / pl.)
keek / keken
Past participle
gekeken
Imperative
kijk!

Present

ikik kijk
jij / jejij kijkt
uu kijkt
hij / zij / hethij kijkt
wij / wewij kijken
julliejullie kijken
zij / zezij kijken
question with jijkijk jij …?

Simple past

ikik keek
jij / jejij keek
uu keek
hij / zij / hethij keek
wij / wewij keken
julliejullie keken
zij / zezij keken

Present perfect

ikik heb gekeken
jij / jejij hebt gekeken
uu hebt/heeft gekeken
hij / zij / hethij heeft gekeken
wij / wewij hebben gekeken
julliejullie hebben gekeken
zij / zezij hebben gekeken

Past perfect

ikik had gekeken
jij / jejij had gekeken
uu had gekeken
hij / zij / hethij had gekeken
wij / wewij hadden gekeken
julliejullie hadden gekeken
zij / zezij hadden gekeken

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal kijken
jij / jejij zult kijken
uu zult kijken
hij / zij / hethij zal kijken
wij / wewij zullen kijken
julliejullie zullen kijken
zij / zezij zullen kijken

Conditional (zou)

ikik zou kijken
jij / jejij zou kijken
uu zou kijken
hij / zij / hethij zou kijken
wij / wewij zouden kijken
julliejullie zouden kijken
zij / zezij zouden kijken

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.