Verb conjugation
kijken to look, to watch
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- kijken
- Past (sing. / pl.)
- keek / keken
- Past participle
- gekeken
- Imperative
- kijk!
Present
| ik | ik kijk |
|---|---|
| jij / je | jij kijkt |
| u | u kijkt |
| hij / zij / het | hij kijkt |
| wij / we | wij kijken |
| jullie | jullie kijken |
| zij / ze | zij kijken |
| question with jij | kijk jij …? |
Simple past
| ik | ik keek |
|---|---|
| jij / je | jij keek |
| u | u keek |
| hij / zij / het | hij keek |
| wij / we | wij keken |
| jullie | jullie keken |
| zij / ze | zij keken |
Present perfect
| ik | ik heb gekeken |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gekeken |
| u | u hebt/heeft gekeken |
| hij / zij / het | hij heeft gekeken |
| wij / we | wij hebben gekeken |
| jullie | jullie hebben gekeken |
| zij / ze | zij hebben gekeken |
Past perfect
| ik | ik had gekeken |
|---|---|
| jij / je | jij had gekeken |
| u | u had gekeken |
| hij / zij / het | hij had gekeken |
| wij / we | wij hadden gekeken |
| jullie | jullie hadden gekeken |
| zij / ze | zij hadden gekeken |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal kijken |
|---|---|
| jij / je | jij zult kijken |
| u | u zult kijken |
| hij / zij / het | hij zal kijken |
| wij / we | wij zullen kijken |
| jullie | jullie zullen kijken |
| zij / ze | zij zullen kijken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou kijken |
|---|---|
| jij / je | jij zou kijken |
| u | u zou kijken |
| hij / zij / het | hij zou kijken |
| wij / we | wij zouden kijken |
| jullie | jullie zouden kijken |
| zij / ze | zij zouden kijken |
Examples
- Kijk eens naar die lucht! — Just look at that sky!
- We hebben gisteren een serie gekeken. — We watched a series yesterday.