Verb conjugation
laten to let; to leave; to have (something done)
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- laten
- Past (sing. / pl.)
- liet / lieten
- Past participle
- gelaten
- Imperative
- laat!
Present
| ik | ik laat |
|---|---|
| jij / je | jij laat |
| u | u laat |
| hij / zij / het | hij laat |
| wij / we | wij laten |
| jullie | jullie laten |
| zij / ze | zij laten |
| question with jij | laat jij …? |
Simple past
| ik | ik liet |
|---|---|
| jij / je | jij liet |
| u | u liet |
| hij / zij / het | hij liet |
| wij / we | wij lieten |
| jullie | jullie lieten |
| zij / ze | zij lieten |
Present perfect
| ik | ik heb gelaten |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gelaten |
| u | u hebt/heeft gelaten |
| hij / zij / het | hij heeft gelaten |
| wij / we | wij hebben gelaten |
| jullie | jullie hebben gelaten |
| zij / ze | zij hebben gelaten |
Past perfect
| ik | ik had gelaten |
|---|---|
| jij / je | jij had gelaten |
| u | u had gelaten |
| hij / zij / het | hij had gelaten |
| wij / we | wij hadden gelaten |
| jullie | jullie hadden gelaten |
| zij / ze | zij hadden gelaten |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal laten |
|---|---|
| jij / je | jij zult laten |
| u | u zult laten |
| hij / zij / het | hij zal laten |
| wij / we | wij zullen laten |
| jullie | jullie zullen laten |
| zij / ze | zij zullen laten |
Conditional (zou)
| ik | ik zou laten |
|---|---|
| jij / je | jij zou laten |
| u | u zou laten |
| hij / zij / het | hij zou laten |
| wij / we | wij zouden laten |
| jullie | jullie zouden laten |
| zij / ze | zij zouden laten |
Examples
- Laat me even nadenken. — Let me think for a moment.
- Ik heb mijn tas in de trein laten liggen. — I left my bag on the train.