Learn Dutch
Verb conjugation

rijden to drive; to ride

Strongperfect with hebben/zijn
Infinitive
rijden
Past (sing. / pl.)
reed / reden
Past participle
gereden
Imperative
rijd!

zijn when a destination is mentioned (we zijn naar Utrecht gereden); hebben for the activity itself (ik heb twee uur gereden).

Present

ikik rijd
jij / jejij rijdt
uu rijdt
hij / zij / hethij rijdt
wij / wewij rijden
julliejullie rijden
zij / zezij rijden
question with jijrijd jij …?

Simple past

ikik reed
jij / jejij reed
uu reed
hij / zij / hethij reed
wij / wewij reden
julliejullie reden
zij / zezij reden

Present perfect

Both auxiliaries are used — see the note above.

ikik heb / ben gereden
jij / jejij hebt / bent gereden
uu hebt/heeft / bent gereden
hij / zij / hethij heeft / is gereden
wij / wewij hebben / zijn gereden
julliejullie hebben / zijn gereden
zij / zezij hebben / zijn gereden

Past perfect

ikik had / was gereden
jij / jejij had / was gereden
uu had / was gereden
hij / zij / hethij had / was gereden
wij / wewij hadden / waren gereden
julliejullie hadden / waren gereden
zij / zezij hadden / waren gereden

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal rijden
jij / jejij zult rijden
uu zult rijden
hij / zij / hethij zal rijden
wij / wewij zullen rijden
julliejullie zullen rijden
zij / zezij zullen rijden

Conditional (zou)

ikik zou rijden
jij / jejij zou rijden
uu zou rijden
hij / zij / hethij zou rijden
wij / wewij zouden rijden
julliejullie zouden rijden
zij / zezij zouden rijden

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.