Verb conjugation
roepen to call (out), to shout
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- roepen
- Past (sing. / pl.)
- riep / riepen
- Past participle
- geroepen
- Imperative
- roep!
Present
| ik | ik roep |
|---|---|
| jij / je | jij roept |
| u | u roept |
| hij / zij / het | hij roept |
| wij / we | wij roepen |
| jullie | jullie roepen |
| zij / ze | zij roepen |
| question with jij | roep jij …? |
Simple past
| ik | ik riep |
|---|---|
| jij / je | jij riep |
| u | u riep |
| hij / zij / het | hij riep |
| wij / we | wij riepen |
| jullie | jullie riepen |
| zij / ze | zij riepen |
Present perfect
| ik | ik heb geroepen |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geroepen |
| u | u hebt/heeft geroepen |
| hij / zij / het | hij heeft geroepen |
| wij / we | wij hebben geroepen |
| jullie | jullie hebben geroepen |
| zij / ze | zij hebben geroepen |
Past perfect
| ik | ik had geroepen |
|---|---|
| jij / je | jij had geroepen |
| u | u had geroepen |
| hij / zij / het | hij had geroepen |
| wij / we | wij hadden geroepen |
| jullie | jullie hadden geroepen |
| zij / ze | zij hadden geroepen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal roepen |
|---|---|
| jij / je | jij zult roepen |
| u | u zult roepen |
| hij / zij / het | hij zal roepen |
| wij / we | wij zullen roepen |
| jullie | jullie zullen roepen |
| zij / ze | zij zullen roepen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou roepen |
|---|---|
| jij / je | jij zou roepen |
| u | u zou roepen |
| hij / zij / het | hij zou roepen |
| wij / we | wij zouden roepen |
| jullie | jullie zouden roepen |
| zij / ze | zij zouden roepen |
Examples
- Ik roep je als het eten klaar is. — I'll call you when dinner is ready.
- Ze riep om hulp. — She called for help.