Learn Dutch
Verb conjugation

roepen to call (out), to shout

Strongperfect with hebben
Infinitive
roepen
Past (sing. / pl.)
riep / riepen
Past participle
geroepen
Imperative
roep!

Present

ikik roep
jij / jejij roept
uu roept
hij / zij / hethij roept
wij / wewij roepen
julliejullie roepen
zij / zezij roepen
question with jijroep jij …?

Simple past

ikik riep
jij / jejij riep
uu riep
hij / zij / hethij riep
wij / wewij riepen
julliejullie riepen
zij / zezij riepen

Present perfect

ikik heb geroepen
jij / jejij hebt geroepen
uu hebt/heeft geroepen
hij / zij / hethij heeft geroepen
wij / wewij hebben geroepen
julliejullie hebben geroepen
zij / zezij hebben geroepen

Past perfect

ikik had geroepen
jij / jejij had geroepen
uu had geroepen
hij / zij / hethij had geroepen
wij / wewij hadden geroepen
julliejullie hadden geroepen
zij / zezij hadden geroepen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal roepen
jij / jejij zult roepen
uu zult roepen
hij / zij / hethij zal roepen
wij / wewij zullen roepen
julliejullie zullen roepen
zij / zezij zullen roepen

Conditional (zou)

ikik zou roepen
jij / jejij zou roepen
uu zou roepen
hij / zij / hethij zou roepen
wij / wewij zouden roepen
julliejullie zouden roepen
zij / zezij zouden roepen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.