Verb conjugation
sluiten to close, to shut
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- sluiten
- Past (sing. / pl.)
- sloot / sloten
- Past participle
- gesloten
- Imperative
- sluit!
Present
| ik | ik sluit |
|---|---|
| jij / je | jij sluit |
| u | u sluit |
| hij / zij / het | hij sluit |
| wij / we | wij sluiten |
| jullie | jullie sluiten |
| zij / ze | zij sluiten |
| question with jij | sluit jij …? |
Simple past
| ik | ik sloot |
|---|---|
| jij / je | jij sloot |
| u | u sloot |
| hij / zij / het | hij sloot |
| wij / we | wij sloten |
| jullie | jullie sloten |
| zij / ze | zij sloten |
Present perfect
| ik | ik heb gesloten |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gesloten |
| u | u hebt/heeft gesloten |
| hij / zij / het | hij heeft gesloten |
| wij / we | wij hebben gesloten |
| jullie | jullie hebben gesloten |
| zij / ze | zij hebben gesloten |
Past perfect
| ik | ik had gesloten |
|---|---|
| jij / je | jij had gesloten |
| u | u had gesloten |
| hij / zij / het | hij had gesloten |
| wij / we | wij hadden gesloten |
| jullie | jullie hadden gesloten |
| zij / ze | zij hadden gesloten |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal sluiten |
|---|---|
| jij / je | jij zult sluiten |
| u | u zult sluiten |
| hij / zij / het | hij zal sluiten |
| wij / we | wij zullen sluiten |
| jullie | jullie zullen sluiten |
| zij / ze | zij zullen sluiten |
Conditional (zou)
| ik | ik zou sluiten |
|---|---|
| jij / je | jij zou sluiten |
| u | u zou sluiten |
| hij / zij / het | hij zou sluiten |
| wij / we | wij zouden sluiten |
| jullie | jullie zouden sluiten |
| zij / ze | zij zouden sluiten |
Examples
- De winkels sluiten om zes uur. — The shops close at six.
- Hij sloot de deur achter zich. — He closed the door behind him.