Learn Dutch
Verb conjugation

spreken to speak

Strongperfect with hebben
Infinitive
spreken
Past (sing. / pl.)
sprak / spraken
Past participle
gesproken
Imperative
spreek!

Present

ikik spreek
jij / jejij spreekt
uu spreekt
hij / zij / hethij spreekt
wij / wewij spreken
julliejullie spreken
zij / zezij spreken
question with jijspreek jij …?

Simple past

ikik sprak
jij / jejij sprak
uu sprak
hij / zij / hethij sprak
wij / wewij spraken
julliejullie spraken
zij / zezij spraken

Present perfect

ikik heb gesproken
jij / jejij hebt gesproken
uu hebt/heeft gesproken
hij / zij / hethij heeft gesproken
wij / wewij hebben gesproken
julliejullie hebben gesproken
zij / zezij hebben gesproken

Past perfect

ikik had gesproken
jij / jejij had gesproken
uu had gesproken
hij / zij / hethij had gesproken
wij / wewij hadden gesproken
julliejullie hadden gesproken
zij / zezij hadden gesproken

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal spreken
jij / jejij zult spreken
uu zult spreken
hij / zij / hethij zal spreken
wij / wewij zullen spreken
julliejullie zullen spreken
zij / zezij zullen spreken

Conditional (zou)

ikik zou spreken
jij / jejij zou spreken
uu zou spreken
hij / zij / hethij zou spreken
wij / wewij zouden spreken
julliejullie zouden spreken
zij / zezij zouden spreken

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.