Verb conjugation
spreken to speak
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- spreken
- Past (sing. / pl.)
- sprak / spraken
- Past participle
- gesproken
- Imperative
- spreek!
Present
| ik | ik spreek |
|---|---|
| jij / je | jij spreekt |
| u | u spreekt |
| hij / zij / het | hij spreekt |
| wij / we | wij spreken |
| jullie | jullie spreken |
| zij / ze | zij spreken |
| question with jij | spreek jij …? |
Simple past
| ik | ik sprak |
|---|---|
| jij / je | jij sprak |
| u | u sprak |
| hij / zij / het | hij sprak |
| wij / we | wij spraken |
| jullie | jullie spraken |
| zij / ze | zij spraken |
Present perfect
| ik | ik heb gesproken |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gesproken |
| u | u hebt/heeft gesproken |
| hij / zij / het | hij heeft gesproken |
| wij / we | wij hebben gesproken |
| jullie | jullie hebben gesproken |
| zij / ze | zij hebben gesproken |
Past perfect
| ik | ik had gesproken |
|---|---|
| jij / je | jij had gesproken |
| u | u had gesproken |
| hij / zij / het | hij had gesproken |
| wij / we | wij hadden gesproken |
| jullie | jullie hadden gesproken |
| zij / ze | zij hadden gesproken |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal spreken |
|---|---|
| jij / je | jij zult spreken |
| u | u zult spreken |
| hij / zij / het | hij zal spreken |
| wij / we | wij zullen spreken |
| jullie | jullie zullen spreken |
| zij / ze | zij zullen spreken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou spreken |
|---|---|
| jij / je | jij zou spreken |
| u | u zou spreken |
| hij / zij / het | hij zou spreken |
| wij / we | wij zouden spreken |
| jullie | jullie zouden spreken |
| zij / ze | zij zouden spreken |
Examples
- Spreekt u Engels? — Do you speak English?
- Ik heb hem gisteren nog gesproken. — I spoke to him only yesterday.