Verb conjugation
vallen to fall
Strongperfect with zijn
- Infinitive
- vallen
- Past (sing. / pl.)
- viel / vielen
- Past participle
- gevallen
- Imperative
- val!
Present
| ik | ik val |
|---|---|
| jij / je | jij valt |
| u | u valt |
| hij / zij / het | hij valt |
| wij / we | wij vallen |
| jullie | jullie vallen |
| zij / ze | zij vallen |
| question with jij | val jij …? |
Simple past
| ik | ik viel |
|---|---|
| jij / je | jij viel |
| u | u viel |
| hij / zij / het | hij viel |
| wij / we | wij vielen |
| jullie | jullie vielen |
| zij / ze | zij vielen |
Present perfect
| ik | ik ben gevallen |
|---|---|
| jij / je | jij bent gevallen |
| u | u bent gevallen |
| hij / zij / het | hij is gevallen |
| wij / we | wij zijn gevallen |
| jullie | jullie zijn gevallen |
| zij / ze | zij zijn gevallen |
Past perfect
| ik | ik was gevallen |
|---|---|
| jij / je | jij was gevallen |
| u | u was gevallen |
| hij / zij / het | hij was gevallen |
| wij / we | wij waren gevallen |
| jullie | jullie waren gevallen |
| zij / ze | zij waren gevallen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal vallen |
|---|---|
| jij / je | jij zult vallen |
| u | u zult vallen |
| hij / zij / het | hij zal vallen |
| wij / we | wij zullen vallen |
| jullie | jullie zullen vallen |
| zij / ze | zij zullen vallen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou vallen |
|---|---|
| jij / je | jij zou vallen |
| u | u zou vallen |
| hij / zij / het | hij zou vallen |
| wij / we | wij zouden vallen |
| jullie | jullie zouden vallen |
| zij / ze | zij zouden vallen |
Examples
- Pas op, je valt bijna! — Careful, you're about to fall!
- Ik ben van mijn fiets gevallen. — I fell off my bike.