Learn Dutch
Verb conjugation

vallen to fall

Strongperfect with zijn
Infinitive
vallen
Past (sing. / pl.)
viel / vielen
Past participle
gevallen
Imperative
val!

Present

ikik val
jij / jejij valt
uu valt
hij / zij / hethij valt
wij / wewij vallen
julliejullie vallen
zij / zezij vallen
question with jijval jij …?

Simple past

ikik viel
jij / jejij viel
uu viel
hij / zij / hethij viel
wij / wewij vielen
julliejullie vielen
zij / zezij vielen

Present perfect

ikik ben gevallen
jij / jejij bent gevallen
uu bent gevallen
hij / zij / hethij is gevallen
wij / wewij zijn gevallen
julliejullie zijn gevallen
zij / zezij zijn gevallen

Past perfect

ikik was gevallen
jij / jejij was gevallen
uu was gevallen
hij / zij / hethij was gevallen
wij / wewij waren gevallen
julliejullie waren gevallen
zij / zezij waren gevallen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal vallen
jij / jejij zult vallen
uu zult vallen
hij / zij / hethij zal vallen
wij / wewij zullen vallen
julliejullie zullen vallen
zij / zezij zullen vallen

Conditional (zou)

ikik zou vallen
jij / jejij zou vallen
uu zou vallen
hij / zij / hethij zou vallen
wij / wewij zouden vallen
julliejullie zouden vallen
zij / zezij zouden vallen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.