Verb conjugation
verliezen to lose
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- verliezen
- Past (sing. / pl.)
- verloor / verloren
- Past participle
- verloren
- Imperative
- verlies!
Present
| ik | ik verlies |
|---|---|
| jij / je | jij verliest |
| u | u verliest |
| hij / zij / het | hij verliest |
| wij / we | wij verliezen |
| jullie | jullie verliezen |
| zij / ze | zij verliezen |
| question with jij | verlies jij …? |
Simple past
| ik | ik verloor |
|---|---|
| jij / je | jij verloor |
| u | u verloor |
| hij / zij / het | hij verloor |
| wij / we | wij verloren |
| jullie | jullie verloren |
| zij / ze | zij verloren |
Present perfect
| ik | ik heb verloren |
|---|---|
| jij / je | jij hebt verloren |
| u | u hebt/heeft verloren |
| hij / zij / het | hij heeft verloren |
| wij / we | wij hebben verloren |
| jullie | jullie hebben verloren |
| zij / ze | zij hebben verloren |
Past perfect
| ik | ik had verloren |
|---|---|
| jij / je | jij had verloren |
| u | u had verloren |
| hij / zij / het | hij had verloren |
| wij / we | wij hadden verloren |
| jullie | jullie hadden verloren |
| zij / ze | zij hadden verloren |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal verliezen |
|---|---|
| jij / je | jij zult verliezen |
| u | u zult verliezen |
| hij / zij / het | hij zal verliezen |
| wij / we | wij zullen verliezen |
| jullie | jullie zullen verliezen |
| zij / ze | zij zullen verliezen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou verliezen |
|---|---|
| jij / je | jij zou verliezen |
| u | u zou verliezen |
| hij / zij / het | hij zou verliezen |
| wij / we | wij zouden verliezen |
| jullie | jullie zouden verliezen |
| zij / ze | zij zouden verliezen |
Examples
- Ik verlies altijd met kaarten. — I always lose at cards.
- Hij heeft zijn portemonnee verloren. — He has lost his wallet.