Learn Dutch
Verb conjugation

verliezen to lose

Strongperfect with hebben
Infinitive
verliezen
Past (sing. / pl.)
verloor / verloren
Past participle
verloren
Imperative
verlies!

Present

ikik verlies
jij / jejij verliest
uu verliest
hij / zij / hethij verliest
wij / wewij verliezen
julliejullie verliezen
zij / zezij verliezen
question with jijverlies jij …?

Simple past

ikik verloor
jij / jejij verloor
uu verloor
hij / zij / hethij verloor
wij / wewij verloren
julliejullie verloren
zij / zezij verloren

Present perfect

ikik heb verloren
jij / jejij hebt verloren
uu hebt/heeft verloren
hij / zij / hethij heeft verloren
wij / wewij hebben verloren
julliejullie hebben verloren
zij / zezij hebben verloren

Past perfect

ikik had verloren
jij / jejij had verloren
uu had verloren
hij / zij / hethij had verloren
wij / wewij hadden verloren
julliejullie hadden verloren
zij / zezij hadden verloren

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal verliezen
jij / jejij zult verliezen
uu zult verliezen
hij / zij / hethij zal verliezen
wij / wewij zullen verliezen
julliejullie zullen verliezen
zij / zezij zullen verliezen

Conditional (zou)

ikik zou verliezen
jij / jejij zou verliezen
uu zou verliezen
hij / zij / hethij zou verliezen
wij / wewij zouden verliezen
julliejullie zouden verliezen
zij / zezij zouden verliezen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.