Learn Dutch
Verb conjugation

vliegen to fly

Strongperfect with hebben/zijn
Infinitive
vliegen
Past (sing. / pl.)
vloog / vlogen
Past participle
gevlogen
Imperative
vlieg!

zijn when a destination is mentioned (we zijn naar Rome gevlogen); hebben for the activity itself (ik heb nog nooit gevlogen).

Present

ikik vlieg
jij / jejij vliegt
uu vliegt
hij / zij / hethij vliegt
wij / wewij vliegen
julliejullie vliegen
zij / zezij vliegen
question with jijvlieg jij …?

Simple past

ikik vloog
jij / jejij vloog
uu vloog
hij / zij / hethij vloog
wij / wewij vlogen
julliejullie vlogen
zij / zezij vlogen

Present perfect

Both auxiliaries are used — see the note above.

ikik heb / ben gevlogen
jij / jejij hebt / bent gevlogen
uu hebt/heeft / bent gevlogen
hij / zij / hethij heeft / is gevlogen
wij / wewij hebben / zijn gevlogen
julliejullie hebben / zijn gevlogen
zij / zezij hebben / zijn gevlogen

Past perfect

ikik had / was gevlogen
jij / jejij had / was gevlogen
uu had / was gevlogen
hij / zij / hethij had / was gevlogen
wij / wewij hadden / waren gevlogen
julliejullie hadden / waren gevlogen
zij / zezij hadden / waren gevlogen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal vliegen
jij / jejij zult vliegen
uu zult vliegen
hij / zij / hethij zal vliegen
wij / wewij zullen vliegen
julliejullie zullen vliegen
zij / zezij zullen vliegen

Conditional (zou)

ikik zou vliegen
jij / jejij zou vliegen
uu zou vliegen
hij / zij / hethij zou vliegen
wij / wewij zouden vliegen
julliejullie zouden vliegen
zij / zezij zouden vliegen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.