Verb conjugation
zingen to sing
Strongperfect with hebben
- Infinitive
- zingen
- Past (sing. / pl.)
- zong / zongen
- Past participle
- gezongen
- Imperative
- zing!
Present
| ik | ik zing |
|---|---|
| jij / je | jij zingt |
| u | u zingt |
| hij / zij / het | hij zingt |
| wij / we | wij zingen |
| jullie | jullie zingen |
| zij / ze | zij zingen |
| question with jij | zing jij …? |
Simple past
| ik | ik zong |
|---|---|
| jij / je | jij zong |
| u | u zong |
| hij / zij / het | hij zong |
| wij / we | wij zongen |
| jullie | jullie zongen |
| zij / ze | zij zongen |
Present perfect
| ik | ik heb gezongen |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gezongen |
| u | u hebt/heeft gezongen |
| hij / zij / het | hij heeft gezongen |
| wij / we | wij hebben gezongen |
| jullie | jullie hebben gezongen |
| zij / ze | zij hebben gezongen |
Past perfect
| ik | ik had gezongen |
|---|---|
| jij / je | jij had gezongen |
| u | u had gezongen |
| hij / zij / het | hij had gezongen |
| wij / we | wij hadden gezongen |
| jullie | jullie hadden gezongen |
| zij / ze | zij hadden gezongen |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal zingen |
|---|---|
| jij / je | jij zult zingen |
| u | u zult zingen |
| hij / zij / het | hij zal zingen |
| wij / we | wij zullen zingen |
| jullie | jullie zullen zingen |
| zij / ze | zij zullen zingen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou zingen |
|---|---|
| jij / je | jij zou zingen |
| u | u zou zingen |
| hij / zij / het | hij zou zingen |
| wij / we | wij zouden zingen |
| jullie | jullie zouden zingen |
| zij / ze | zij zouden zingen |
Examples
- Ze zingt in een koor. — She sings in a choir.
- We hebben voor hem 'Lang zal hij leven' gezongen. — We sang 'Happy Birthday' (lit. 'Long shall he live') for him.